De zaak betreft een kort geding tussen [eiser 1] c.s. en UTI over de opheffing van twee conservatoire bewijsbeslagen. [eiser 2], voormalig werknemer van UTI, startte een eigen bedrijf en werd door UTI beschuldigd van schending van een relatiebeding en vaststellingsovereenkomst.
UTI legde in februari 2023 een eerste conservatoir bewijsbeslag op de administratie van [eiser 1] c.s. en vorderde inzage, maar de voorzieningenrechter wees dit in april 2023 af wegens ontbreken spoedeisend belang. Het beslag bleef echter liggen omdat het vonnis onherroepelijk werd en de bescheiden in bewaring bleven.
UTI legde vervolgens in mei 2023 een tweede beslag tot afgifte van dezelfde bescheiden. [eiser 1] c.s. vorderden opheffing van beide beslagen met het argument dat het eerste beslag van rechtswege was vervallen en het tweede beslag onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat het eerste beslag niet van rechtswege verviel vanwege nadere aanwijzingen in het eerdere vonnis en dat het tweede beslag niet onrechtmatig of misbruik van recht was. De belangenafweging wees uit dat UTI belang had bij handhaving van het beslag in het lopende bodemgeschil. De vorderingen tot opheffing werden afgewezen en [eiser 1] c.s. werden veroordeeld in de proceskosten.