ECLI:NL:RBROT:2023:142

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 januari 2023
Publicatiedatum
13 januari 2023
Zaaknummer
649959 / KG ZA 22-1081
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 6:162 BWArt. 79 lid 2 RvArt. 255 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen in kort geding wegens ontbreken spoedeisend belang en verstek gedaagde

In een kort gedingprocedure eiste eiser een verklaring voor recht dat hij onterecht beschuldigd is van kindermishandeling door Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, alsmede een immateriële schadevergoeding van €2.500,-. De zaak betreft een conflict over de omgang met hun dochter, waarbij Jeugdbescherming toezicht houdt sinds augustus 2022.

Jeugdbescherming verscheen niet correct vertegenwoordigd, waardoor verstek tegen haar werd verleend. De rechter oordeelde dat een verklaring voor recht niet kan worden gegeven in kort geding omdat dit een definitief oordeel vereist. De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing van het risico dat eiser het bedrag niet kan terugvorderen.

De voorzieningenrechter wees alle vorderingen af en veroordeelde eiser in de proceskosten, die aan de zijde van Jeugdbescherming op nihil werden vastgesteld vanwege haar niet correcte verschijning. Het vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Alle vorderingen van eiser worden afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang en ongeschikte procedure, met verstek tegen gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: 649959 / KG ZA 22-1081
Vonnis in kort geding van 11 januari 2023
in de zaak van
[eiser01],
wonend in [woonplaats01] ,
eiser,
advocaat: mr. J.M. Bossers,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam,
gedaagde,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna [eiser01] en Jeugdbescherming genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 29 december 2022, met producties;
  • de mondelinge behandeling van 9 januari 2023.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is namens Jeugdbescherming mr. Schuijs verschenen. Zij is geen advocaat. In een kort geding kan een rechtspersoon alleen worden bijgestaan door iemand die geen advocaat is, wanneer namens de rechtspersoon ook een bestuurder of statutair vertegenwoordiger is verschenen (artikel 79 lid 2 en Pro 255 Rv). Dat is niet het geval. Jeugdbescherming is dus niet correct in deze procedure verschenen. Tegen Jeugdbescherming is daarom verstek verleend.
1.3.
De rechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.Het geschil

2.1.
[eiser01] eist samengevat (als de rechter het goed begrijpt):
  • voor recht te verklaren dat Jeugdbescherming [eiser01] onterecht beschuldigd heeft van kindermishandeling;
  • Jeugdbescherming te veroordelen om een immateriële schadevergoeding van € 2.500,- aan hem te betalen;
  • Jeugdbescherming te veroordelen in de proceskosten.
2.2.
[eiser01] baseert zijn eisen op het volgende. [eiser01] heeft tot 2019 een relatie gehad met mevrouw [naam01] . Samen hebben zij een dochter gekregen, [dochter01] . [eiser01] en [naam01] voeren de laatste tijd verschillende juridische procedures tegen elkaar, over hun omgang met [dochter01] . Op 30 augustus 2022 heeft deze rechtbank [dochter01] onder toezicht van Jeugdbescherming gesteld. Op 24 november 2022 heeft [naam01] aan Jeugdbescherming gemeld dat [dochter01] door [eiser01] geslagen wordt. Naar aanleiding van die melding heeft mevrouw [naam03] , medewerker van Jeugdbescherming, een gesprek gevoerd met [eiser01] . [eiser01] heeft aangegeven dat de melding van [naam01] niet klopt, maar hij heeft wel meegewerkt aan een onderzoek door Enver. Enver heeft geconcludeerd dat er geen signalen van onveiligheid zijn tussen [dochter01] en [eiser01] . Op 12 januari 2023 behandelt Rechtbank Rotterdam in een bodemprocedure tussen [eiser01] en [naam01] de omgangsregeling van [dochter01] . [eiser01] vindt het belangrijk dat voor die tijd wordt rechtgezet dat hij [dochter01] zou hebben mishandeld. Hij vindt ook dat Jeugdbescherming onvoldoende aan waarheidsvinding heeft gedaan, naar aanleiding van de melding.

3.De beoordeling

Kort geding
3.1.
In een kortgedingprocedure is de rechter bevoegd om een voorlopige maatregel te treffen, als de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft (art. 254 Rv Pro). De rechter geeft in een kort geding dus alleen een voorlopig oordeel over de zaak.
Verklaring voor recht
3.2.
[eiser01] eist een verklaring voor recht. Mr. Bossers heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het erom gaat dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt vastgesteld. Dat is niet mogelijk in een kort geding. Dat is namelijk geen voorlopige maatregel, maar een oordeel met een definitief karakter. De geëiste verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
Immateriële schadevergoeding
3.3.
[eiser01] stelt verder dat hij € 2.500,- aan immateriële schade heeft geleden, omdat Jeugdbescherming hem vals beschuldigd heeft. Hij eist betaling van dat bedrag (artikel 6:162 BW Pro). Met een geldvordering in kort geding moet terughoudend worden omgegaan. Een geldvordering kan alleen worden toegewezen als deze voldoende aannemelijk is en er sprake is van een grote mate van spoedeisendheid. Bovendien moet er rekening worden gehouden met het risico dat [eiser01] het bedrag niet terug kan betalen als hij in een bodemprocedure alsnog ongelijk krijgt. [eiser01] heeft over dit risico en over het spoedeisende belang van deze eis niets geschreven in de dagvaarding. Bovendien heeft mr. Bossers tijdens de zitting op een vraag van de rechter bevestigd dat deze vordering zich, gelet op de bijzondere eisen die gelden voor een geldvordering in kort geding, wellicht niet goed leent voor een kort geding. Om deze reden wordt deze vordering afgewezen.
Proceskosten
3.4.
Omdat de eisen van [eiser01] worden afgewezen, moet hij de kosten van deze procedure betalen. Deze kosten worden aan de kant van Jeugdbescherming vastgesteld op € 0,-, omdat zij niet (correct) in deze procedure is verschenen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser01] af;
4.2.
veroordeelt [eiser01] in de proceskosten, aan de kant van Jeugdbescherming tot dit vonnis vastgesteld op € 0,-;
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken.
3531