Eiser sloot op 14 juni 2021 een aannemingsovereenkomst met gedaagde voor levering en montage van twee elektronisch bedienbare rolluiken. De montage vond plaats op 11 september 2021, waarbij kabels via gaten in kunststof raamkozijnen werden aangebracht. Eiser stelde gedaagde aansprakelijk voor schade aan de kozijnen omdat vooraf was afgesproken dat de kabels door de muur zouden lopen.
Eiser vorderde vervangende schadevergoeding van € 6.024,- wegens vermeende tekortkoming en schade aan de kozijnen. Gedaagde betwistte dat sprake was van een gebrek en stelde dat eiser het werk bij oplevering had goedgekeurd, zonder te klagen over de wijze van aanbrengen van de kabels.
De kantonrechter kwalificeerde de overeenkomst als aanneming van werk en oordeelde dat eiser de zichtbare gebreken bij oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken en het werk heeft geaccepteerd door betaling van de factuur. De stelling van eiser dat hij direct had geklaagd werd gemotiveerd betwist door gedaagde met verklaringen van monteurs. Eiser mocht geen nadere bewijslevering doen.
Omdat het werk was aanvaard en er geen bewijs was van daadwerkelijke schade, werd de vordering afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van € 50,- ten gunste van gedaagde.