De zaak betreft een executiegeschil tussen eiseres en gedaagde, voormalig werknemer, over de tenuitvoerlegging van een beschikking van 13 december 2022. In die beschikking werd gedaagde veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, overuren en vakantietoeslag, vermeerderd met wettelijke verhogingen en rente. Eiseres vordert in kort geding de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beschikking, primair tot het arrest in hoger beroep, al dan niet onder zekerheidsstelling.
Gedaagde voert verweer dat eiseres een onjuiste rechtsgang heeft gekozen, dat er geen spoedeisend belang is en dat er geen incassorisico bij hem bestaat. De kantonrechter oordeelt dat eiseres wel ontvankelijk is en dat er sprake is van spoedeisend belang vanwege de aanvang van de executiefase eind januari 2023.
De rechter stelt vast dat contante betalingen van €8.900,- aan gedaagde in mindering moeten worden gebracht op het te betalen bedrag, maar dat deze verrekening niet in het dictum van de beschikking is verwerkt. Daarom is het belang van eiseres om te voorkomen dat zij onverschuldigd betaalt zwaarder dan het belang van gedaagde bij volledige executie.
De kantonrechter wijst het primair en subsidiair gevorderde af, maar wijst het tertiair gevorderde toe door de tenuitvoerlegging te beperken tot €19.788,74 totdat hoger beroep is beslist of de termijn is verstreken. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.