Verzoeker diende een verzoek in tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet nadat schuldeiser Spine niet wilde instemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorzag in een betaling van 4,33% aan preferente en 2,17% aan concurrente schuldeisers, gefinancierd met een saneringskrediet, gebaseerd op de huidige uitkering van verzoeker.
Spine verweerde zich met het standpunt dat verzoeker niet te goeder trouw handelde omdat hij een vergoeding van de zorgverzekeraar had vergokt in plaats van deze aan Spine te betalen. Ook stelde Spine dat verzoeker onjuiste informatie had verstrekt. De rechtbank oordeelde dat deze bezwaren gegrond zijn en dat Spine in redelijkheid kon weigeren in te stemmen met de regeling.
Daarnaast vond de rechtbank dat het voorstel niet het uiterste was wat verzoeker kon bieden, mede omdat zijn arbeidsongeschiktheid tijdelijk is en het inkomen kan wijzigen. Gezien het grote aandeel van Spine in de schuldenlast (22,9%) woog het belang van Spine zwaarder dan dat van verzoeker en andere schuldeisers.
Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.