Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer [naam01] , werkzaam bij Zuidweg & Partners (hierna: schuldhulpverlening);
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning te schorsen. De rechtbank beoordeelde dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat uitvoering daarvan aankondigt.
Verzoekster heeft aangetoond dat zij de huur van december 2022 en januari 2023 heeft betaald en per 9 januari 2023 een arbeidscontract heeft voor minimaal 32 uur per week met een uurloon van €78 exclusief BTW, waardoor zij voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verweerster betwistte dit en wees op eerdere niet-nakoming van betalingsregelingen.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis tot ontruiming uit te voeren. Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.
De huurovereenkomst wordt voor de duur van de voorziening verlengd en schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor afloop van het moratorium verslag uitbrengen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schorst de ontruiming van de huurwoning onder voorwaarde van tijdige betaling van de lopende huurtermijnen.