De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2018, die ieder in een apart pleeggezin verblijven. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en is gestart met een intensieve traumabehandeling. Het KSCD-rapport concludeert dat de opvoedcapaciteiten van de moeder nog onvoldoende zijn, maar met langdurige hulpverlening verbetering mogelijk is.
De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt verlenging van de uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling op 13 mei 2023. De moeder verzet zich tegen de verlenging en pleit voor een spoedige terugplaatsing, mede omdat de pleegmoeder van het oudste kind heeft aangegeven de zorg niet langer te kunnen dragen. De pleegouders en pleegzorgmedewerker benadrukken de zorgelijke situatie en het belang van een zorgvuldige aanpak.
De kinderrechter erkent het dilemma tussen het belang van continuïteit in de pleegzorg en het streven naar terugplaatsing. Gezien het nog prille stadium van de traumabehandeling en de noodzaak van aanvullende hulpverlening, wordt de verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk geacht. Tegelijkertijd wordt ingezet op een terugplaatsing van het oudste kind uiterlijk in mei 2023, mits de moeder voldoende stabiliteit toont.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep wordt aan partijen gegeven. De rechtbank benadrukt dat alle betrokkenen zich intensief moeten inzetten om een succesvolle terugplaatsing mogelijk te maken, waarbij ook de belangen van het jongste kind niet uit het oog mogen worden verloren.