Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam01] , de tolk van verzoeker (hierna: Tolk);
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster zou verbieden het vonnis tot ontruiming van de woonruimte ten uitvoer te leggen. De rechtbank constateerde een bedreigende situatie vanwege het vonnis en het exploot tot ontruiming.
De rechtbank overwoog dat het moratorium bedoeld is om een schuldenaar een adempauze te bieden om tot een regeling met schuldeisers te komen. Er is geen expliciet criterium voor toewijzing, maar de belangen van verzoeker en verweerster moeten worden afgewogen. Verzoeker kon onvoldoende aannemelijk maken dat de huurachterstand en lopende termijnen betaald zouden worden, mede doordat schuldhulpverlening bevestigde dat de huur van januari niet was voldaan. Tevens had verzoeker nieuwe woonruimte gevonden en zou hij binnenkort verhuizen.
Gezien deze omstandigheden woog het belang van verweerster zwaarder dan dat van verzoeker, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Daarnaast werd het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel wordt afgerond. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard.