Verweerder legde eiseres op 7 oktober 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op van €68,64. Eiseres werd de aanslag digitaal toegezonden via MijnOverheid op 1 oktober 2020. Eiseres stelde dat zij de aanslag nooit had ontvangen en geen notificatie had gekregen van MijnOverheid, waardoor haar bezwaar te laat was ingediend en ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de naheffingsaanslag correct digitaal was verzonden via MijnOverheid. Het ontbreken van een notificatie was voor risico van eiseres, aangezien alleen zij notificaties kan aanzetten en controleren. Hierdoor was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de termijn.
Daarnaast verzocht eiseres om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad en concludeerde dat de redelijke termijn niet was overschreden omdat het bezwaar op 9 december 2020 werd ontvangen en op 16 maart 2021 werd beslist, waarmee de spanning en frustratie ten einde kwam.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en kende geen immateriële schadevergoeding toe. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.P. Hameete op 23 februari 2023.