De kinderrechter van Rotterdam behandelde op 10 januari 2023 het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarig meisje, geboren in 2012. De ondertoezichtstelling was eerder toegekend vanwege ernstige zorgen over haar welzijn en ontwikkeling. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht verlenging voor twaalf maanden, waarbij nog zes maanden restten.
De voogdes voerde verweer en stelde dat het momenteel goed gaat met het meisje, dat een goed netwerk heeft en geen zorgen meer bestaan over de opvoedomgeving. De voogdes benadrukte haar betrokkenheid en eigen initiatieven voor hulpverlening. De halfzus voerde geen verweer.
De kinderrechter oordeelde dat ondanks de verbeteringen de ontwikkeling van het meisje nog steeds bedreigd wordt door eerdere ingrijpende gebeurtenissen en cognitieve en sociaal-emotionele problematiek. De hulpverlening stagneerde door meningsverschillen tussen de voogdes en de gecertificeerde instelling, waardoor het vrijwillige kader werd overschreden. Ook is er onrust over de omgang met de halfzus.
Daarom acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd voor zes maanden, zodat de benodigde hulpverlening alsnog kan worden ingezet en de situatie rondom de omgang kan worden onderzocht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.