ECLI:NL:RBROT:2023:1831

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 februari 2023
Publicatiedatum
3 maart 2023
Zaaknummer
C/10/646899 en C/10/646701
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 1:275 BWArt. 1:276 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige na ondertoezichtstelling

De rechtbank Rotterdam behandelde op 7 februari 2023 de zaken betreffende verlenging van ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing en beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds juni 2020 bij grootouders en grootvader vanwege ernstige zorgen over de thuissituatie. De moeder oefende het gezag uit maar was onvoldoende bereikbaar en stabiel.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht beëindiging van het gezag van de moeder en benoeming van de gecertificeerde instelling (GI) als voogd. De GI verzocht verlenging van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De moeder verzette zich tegen beëindiging van het gezag maar erkende haar problematiek en de noodzaak van hulp.

De rechtbank oordeelde dat de moeder niet in staat is binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen. De minderjarige is gehecht aan de grootouders en grootvader, die een stabiele omgeving bieden. De rechtbank beëindigde het gezag van de moeder, wees de verlengingsverzoeken af en benoemde de GI tot voogd. De moeder is veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het vermogen van de minderjarige.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/646899 / JE RK 22-2481 en C/10/645701 / JE RK 22-2317
Datum uitspraak: 7 februari 2023
Beschikking over een verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en beëindiging ouderlijk gezag
in de zaken van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
en

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[minderjarige01] ,

geboren op [geboortedatum01] 2020 te [geboorteplaats01] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige01] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[moeder01] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats01] ,
momenteel verblijvende in P.I. Zuid-Oost, locatie [locatie01] ,
advocaat: mr. C.C. Sneper, kantoorhoudende te Baarn,

[vader01] ,

hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats01] ,

[naam grootouders01] ,

de grootmoeder vaderszijde en de stiefgrootvader vaderszijde, hierna te noemen: de grootouders, wonende te [woonplaats02] ,

[grootvader vaderszijde01] ,

de grootvader vaderszijde, hierna te noemen: de grootvader, wonende te [woonplaats02] .

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikkingen van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 november 2022 en 29 december 2022 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI van 23 januari 2023.
Op 7 februari 2023 heeft de rechtbank de zaken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- de grootouders;
- de grootvader;
- mw. [naam01] namens de Raad;
- mw. [naam02] namens de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige01] wordt uitgeoefend door de moeder.
[voornaam minderjarige01] verblijft doordeweeks bij de grootouders (de pleegouders) en in het weekend bij de
Grootvader (de pleegvader).
Bij beschikking van 5 juni 2020 is [voornaam minderjarige01] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is voor het laatst bij beschikking van 29 december 2022 verlengd tot 5 maart 2023. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verlengd tot 5 maart 2023. De beslissing op (het resterende deel van) de verzoeken is aangehouden tot de zitting van 7 februari 2023.
De GI heeft zich bij brief van 27 oktober 2022 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
Het aangehouden verzoek en standpunt van de Raad in zaaknummer C/10/646899 /JE RK 22-2481
De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [voornaam minderjarige01] te benoemen.
De Raad handhaaft het aangehouden verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Het perspectief van [voornaam minderjarige01] ligt niet meer bij de moeder. [voornaam minderjarige01] zal opgroeien bij de grootouders en de grootvader. Het is van belang dat de voogdij over [voornaam minderjarige01] bij de GI komt te liggen, nu de moeder in de afgelopen periode onvoldoende bereikbaar is gebleken. Het is positief dat de moeder de omgang weer wil opstarten met [voornaam minderjarige01] . Ondanks dat de Raad begrijpt dat het de moeder zwaar valt om aan het eind van elk bezoek weer afscheid te nemen van [voornaam minderjarige01] en dat dit voor haar een reden vormt om geen contact te hebben met [voornaam minderjarige01] , is het in het belang van [voornaam minderjarige01] dat er continuïteit in de bezoeken blijft. Het is daarom van belang dat de moeder zich in de toekomst – met begeleiding van de GI – aan de bezoekafspraken blijft houden.
Het aangehouden verzoek en het standpunt van de GI in zaaknummer C/10/645701 /JE RK 22-2317
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige01] te verlengen met jaar. Tevens heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] in een (netwerk)pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. Thans resteert de periode tot 5 december 2023.
De GI heeft het aangehouden verzoek tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zijn ernstige zorgen over de situatie van de moeder. De moeder zit op dit moment vijftien dagen in hechtenis. In de afgelopen periode zijn er zorgelijke meldingen van de wijkagent gekomen over de woning van de moeder. In de periode dat de moeder in hechtenis zit, zijn er personen aangetroffen in de woning die bekend zijn bij de politie. Hoewel de GI ziet dat de moeder ook een zacht persoon is, is er op basis van incidenten in het verleden tot nu een zorgelijk patroon zichtbaar. De GI hoopt dat de moeder haar leven betert. Gelet op het voorgaande ligt het perspectief van [voornaam minderjarige01] niet bij de moeder, maar bij de grootouders en grootvader. In de komende tijd is het van belang dat ingezet wordt op een goede omgangsregeling tussen de moeder en [voornaam minderjarige01] .

De standpunten van de belanghebbenden

Door en namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De moeder verzet zich tegen de verzoeken van de Raad en de GI. De moeder erkent dat zij op dit moment geen stabiele situatie heeft. De detentie is voor de moeder echter wel een eyeopener en de moeder is bereid om haar leven na haar detentie weer stabiel te krijgen. De moeder erkent dat zij daar hulp bij nodig heeft. De moeder is blij en dankbaar met het stabiele verblijf van [voornaam minderjarige01] bij de grootouders en de grootvader. Het contact met [voornaam minderjarige01] is door de moeder tijdelijk stopgezet, omdat de korte begeleide bezoeken aan [voornaam minderjarige01] erg confronterend waren voor de moeder. Niettemin wil de moeder graag in de komende periode het contact met [voornaam minderjarige01] hervatten. Hoewel het gezag over [voornaam minderjarige01] erg belangrijk is voor de moeder, is het contact met [voornaam minderjarige01] nog belangrijker voor de moeder.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Hoewel de vader het liefst zou zien dat [voornaam minderjarige01] bij hem komt wonen, ziet hij in dat dat niet mogelijk is. De vader ziet dat [voornaam minderjarige01] een goede plaats heeft bij de grootouders en grootvader.
De grootouders hebben tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het goed gaat met [voornaam minderjarige01] . Hij vindt de bezoeken met de moeder en de vader fijn. De grootouders vinden het van belang dat [voornaam minderjarige01] weet wie zijn vader en moeder zijn en overleggen daarom altijd over [voornaam minderjarige01] met de vader en de moeder. De grootouders zijn bereid om voor [voornaam minderjarige01] te blijven zorgen.
De grootvader sluit zich aan bij het standpunt van de grootouders en vertelt daarbij dat het heel goed gaat met [voornaam minderjarige01] . De grootvader merkt wel dat [voornaam minderjarige01] zijn moeder mist.

De beoordeling

De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Vanaf de geboorte van [voornaam minderjarige01] lukt het de ouders niet om [voornaam minderjarige01] een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. De ouders kampen beiden met een belast verleden, individuele problematiek en verslavingsgevoeligheid. De ouders zijn daardoor onvoldoende beschikbaar geweest voor [voornaam minderjarige01] . Vanwege de toenemende zorgen is [voornaam minderjarige01] in juni 2020 onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst bij de grootouders en de grootvader.
Ter zitting van 25 november 2022 heeft de moeder naar voren gebracht dat zij grote stappen heeft gezet en dat er sprake is van een stijgende lijn. Om de moeder een kans te geven stukken aan te leveren om deze positieve ontwikkeling aan te tonen, is de behandeling van het verzoek aangehouden. Hoewel de kinderrechter ziet dat de moeder veel van [voornaam minderjarige01] houdt, is uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting gebleken dat het de moeder in de afgelopen periode niet is gelukt om een zodanige verbetering van haar persoonlijke situatie te bewerkstellingen, dat zij [voornaam minderjarige01] een stabiele opvoedingsomgeving kan bieden. Tot op heden zijn er zeer zorgelijke meldingen vanuit de hulpverlening en de wijkagent over de (thuis)situatie van de moeder naar voren gekomen, betreffende de vervuilde staat van haar huis, de aanwezigheid van wapens (messen en een honkbalknuppel in het zicht) en de mensen met wie zij omgaat. Ook is de moeder in de afgelopen periode nog regelmatig onder invloed geweest van verdovende middelen. Verder is de moeder gedurende de ondertoezichtstelling en het recente raadsonderzoek onvoldoende bereikbaar geweest. Mede hierdoor is er grote twijfel in hoeverre de moeder in staat is tijdig gezagsbeslissingen te nemen over [voornaam minderjarige01] . Daar komt bij dat het de moeder tot op heden nog niet is gelukt een structurele en consistente contactregeling met [voornaam minderjarige01] vorm te geven.
[voornaam minderjarige01] woont sinds 19 juni 2020 bij de grootouders en de grootvader. [voornaam minderjarige01] ontwikkelt zich daar goed en is aan hen gehecht. [voornaam minderjarige01] vraagt steeds vaker naar zijn ouders en het is voor hem belangrijk dat er duidelijkheid komt over zijn toekomstperspectief. Het is van belang dat het stabiele verblijf bij de grootouders en de grootvader wordt gecontinueerd en dat hij daar verder zal opgroeien. De moeder berust daar niet in en wenst een terugplaatsing van [voornaam minderjarige01] bij haar. Hoe begrijpelijk ook, alleen dit is niet aan de orde. De moeder is niet in staat gebleken om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding van [voornaam minderjarige01] binnen een voor [voornaam minderjarige01] aanvaardbaar te achten termijn te dragen. Nu niet langer wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer de geschikte maatregelen.
De rechtbank acht gelet op al het voorgaande een beëindiging van het gezag van de moeder over [voornaam minderjarige01] noodzakelijk.
Deze beslissing leidt ertoe dat er geen belang meer is bij de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] . Deze verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [voornaam minderjarige01] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
Het is wenselijk dat de GI als neutrale derde in de komende periode betrokken blijft. De GI heeft zich bij brief van 27 oktober 2022 bereid verklaard de voogdij over [voornaam minderjarige01] op zich te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij. Het is van belang dat de GI blijft inzetten op het vormgeven van een structurele bezoekregeling tussen de moeder en [voornaam minderjarige01] .
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276, eerste lid, van het BW wordt de ouder van wie het gezag is beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de opvolger in dit bewind, ervan uitgaande dat de ouder het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige.

De beslissing

De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder01] , geboren op [geboortedatum02] 1990 te [geboorteplaats01] , over [voornaam minderjarige01] ;
benoemt tot voogdes over [voornaam minderjarige01] de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam;
veroordeelt de moeder aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige01] te doen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
De beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2023 door mr. M.P. van der Stroom, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Hengst, als griffier. Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 21 oktober 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.