Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 23 februari 2023, met producties;
- de pleitnota van Woonstad.
2..De feiten
3..Het geschil
4..De beoordeling
697,00
Rechtbank Rotterdam
Eiseres, vertegenwoordigd door haar bewindvoerder, huurt een woning van Woonstad Rotterdam. De woning is op grond van de Opiumwet voor drie maanden gesloten en Woonstad heeft daarop de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. De kantonrechter heeft dit bevestigd en de ontruiming bevolen, welke uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Eiseres stelde hoger beroep in en verzocht in kort geding om schorsing van de ontruiming totdat het hoger beroep is beslist.
De rechtbank overweegt dat een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard in principe zonder zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, tenzij sprake is van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die afwijking rechtvaardigen. Omdat het vonnis geen nadere motivering bevatte, moet in dit executiegeschil een belangenafweging plaatsvinden. Eiseres stelt dat zij en haar gezin, waaronder een gehandicapt kleinkind en een zoon met gezondheidsproblemen, zwaarwegende belangen hebben om in de woning te blijven. Woonstad betwist dit en wijst op het ontbreken van dringende noodzaak en haar verplichting tot leefbaarheidsbewaking.
De rechtbank stelt vast dat de kantonrechter al een uitgebreide belangenafweging heeft gemaakt en dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet nieuw zijn of door haar zelf zijn veroorzaakt. Tevens heeft eiseres eerdere woningaanbiedingen van Woonstad afgewezen. Gelet hierop en de belangen van Woonstad bij het beëindigen van overlast, ziet de rechtbank geen reden om de ontruiming op te schorten. De vordering wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen en de bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten.