ECLI:NL:RBROT:2023:1887

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2023
Publicatiedatum
6 maart 2023
Zaaknummer
C/10/653129 / KG ZA 23-141
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 7:231 lid 2 BWWoningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing ontruiming woning na buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst

Eiseres, vertegenwoordigd door haar bewindvoerder, huurt een woning van Woonstad Rotterdam. De woning is op grond van de Opiumwet voor drie maanden gesloten en Woonstad heeft daarop de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. De kantonrechter heeft dit bevestigd en de ontruiming bevolen, welke uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Eiseres stelde hoger beroep in en verzocht in kort geding om schorsing van de ontruiming totdat het hoger beroep is beslist.

De rechtbank overweegt dat een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard in principe zonder zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, tenzij sprake is van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die afwijking rechtvaardigen. Omdat het vonnis geen nadere motivering bevatte, moet in dit executiegeschil een belangenafweging plaatsvinden. Eiseres stelt dat zij en haar gezin, waaronder een gehandicapt kleinkind en een zoon met gezondheidsproblemen, zwaarwegende belangen hebben om in de woning te blijven. Woonstad betwist dit en wijst op het ontbreken van dringende noodzaak en haar verplichting tot leefbaarheidsbewaking.

De rechtbank stelt vast dat de kantonrechter al een uitgebreide belangenafweging heeft gemaakt en dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet nieuw zijn of door haar zelf zijn veroorzaakt. Tevens heeft eiseres eerdere woningaanbiedingen van Woonstad afgewezen. Gelet hierop en de belangen van Woonstad bij het beëindigen van overlast, ziet de rechtbank geen reden om de ontruiming op te schorten. De vordering wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen en de bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/653129 / KG ZA 23-141
Vonnis in kort geding van 6 maart 2023
in de zaak van
GEMEENTE ROTTERDAM, die tevens handelt onder de naam “Maatschappelijke Ontwikkeling, Kredietbank Rotterdam”,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[eiseres01],
wonende te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. P. van Baaren te Rotterdam,
tegen
STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. R. van der Hoeff te Rotterdam.
Partijen worden hierna [eiseres01] , de bewindvoerder en Woonstad genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 23 februari 2023, met producties;
  • de pleitnota van Woonstad.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 1 maart 2023 plaatsgevonden.

2..De feiten

2.1.
[eiseres01] huurt een woning, gelegen aan de [adres01] te [plaats01] (hierna: ‘de woning’), van Woonstad.
2.2.
De woning is op grond van artikel 13b Opiumwet voor de duur van drie maanden gesloten door de burgemeester van Rotterdam. In reactie op deze sluiting heeft Woonstad de huurovereenkomst met [eiseres01] bij brief van 17 mei 2022 op grond van artikel 7:231 lid 2 BW Pro buitengerechtelijk ontbonden.
2.3.
Bij vonnis van 13 januari 2023 heeft de kantonrechter van deze rechtbank een verklaring voor recht uitgesproken dat Woonstad de huurovereenkomst per 27 juni 2022 buitengerechtelijk heeft ontbonden. Ook is de bewindvoerder veroordeeld de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
[eiseres01] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.
2.5.
De ontruiming van de woning staat gepland op 9 maart 2023.

3..Het geschil

3.1.
[eiseres01] vordert samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 januari 2023, totdat in hoger beroep is beslist.
3.2.
[eiseres01] legt aan haar vordering ten grondslag dat het vonnis van 13 januari 2023 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard zonder nadere motivering. Daarom moeten in deze procedure de belangen van [eiseres01] bij behoud van de woning totdat in hoger beroep een beslissing is genomen afgewogen worden tegen de belangen van Woonstad bij ontruiming van de woning. [eiseres01] meent dat haar belangen zwaarder wegen, omdat zij samen met haar twee kinderen en kleinkind in de woning woont. Haar kleinkind is gehandicapt en heeft extra zorg nodig. Haar zoon kampt met psychische en lichamelijke problemen, waardoor ook zijn belang om in de woning te mogen blijven groot is. Als [eiseres01] en haar gezin uit de woning moeten, hebben zij geen andere plek om te verblijven. Aan de andere kant heeft Woonstad geen belang bij het ontruimen van de woning voordat het hoger beroep is afgerond, omdat zij de woning van [eiseres01] niet dringend nodig heeft. Woonstad heeft immers genoeg andere woningen die zij kan verhuren. Ook heeft Woonstad niet als taak om de leefbaarheid in de stad te waarborgen. De gemeente moet hiervoor zorgen.
3.3.
Woonstad voert als verweer aan dat [eiseres01] niet stelt dat het vonnis van 13 januari 2023 op een kennelijke misslag berust. Ook voert [eiseres01] geen nieuwe feiten of omstandigheden aan die rechtvaardigen dat van de beslissing tot ontruiming wordt afgeweken. Ten aanzien van de belangenafweging voert Woonstad aan dat het onjuist is dat [eiseres01] op straat komt te staan na de ontruiming. In het vonnis van de kantonrechter staat dat [eiseres01] - ook nadat zij weer toegang had tot de woning - bij haar moeder verbleef. Ook staat in dat vonnis dat de dochter van [eiseres01] niet (meer) bij [eiseres01] inwoont, maar, met het kleinkind van [eiseres01] , elders woonachtig is. Tot slot voert Woonstad aan dat zij als woningcorporatie op grond van de Woningwet wel degelijk een verplichting heeft om de leefbaarheid in wijken te waarborgen.

4..De beoordeling

4.1.
Uitgangspunt in een executiegeschil is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een daartegen ingesteld rechtsmiddel, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende vastgestelde feiten en oordelen. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag. Wanneer de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die zich na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die volgens eiser rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken. Een belangenafweging kan tot een ander oordeel leiden.
4.2.
Omdat het vonnis van 13 januari 2023 zonder nadere motivering uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is een belangenafweging in deze procedure aan de orde. Het belang van [eiseres01] komt neer op behoud van de woning in afwachting van de beoordeling in het door haar ingestelde hoger beroep. Het belang van Woonstad is dat er een einde wordt gemaakt aan de overlastgevende situatie.
4.3.
De kantonrechter heeft in het vonnis van 13 januari 2023 een uitgebreide belangenafweging gemaakt. Dat vonnis en die belangenafweging vormen het uitgangspunt in deze procedure. In de bodemprocedure is aan de orde gekomen dat de dochter en het kleinkind van [eiseres01] niet (meer) bij haar in huis wonen. Als die situatie nu is veranderd - wat Woonstad betwist - is dit een omstandigheid die [eiseres01] over zichzelf heeft afgeroepen. Het is immers een risico om mensen in huis te nemen nadat de rechter heeft beslist dat de woning moet worden ontruimd. De medische situatie ten aanzien van de zoon had in de bodemprocedure aan de orde moeten worden gesteld. Dit is namelijk geen nieuwe omstandigheid die zich na het wijzen van het vonnis heeft voorgedaan. Daartegenover staan de belangen van Woonstad als woningcorporatie die op grond van de Woningwet verplicht is de leefbaarheid in de wijk te waarborgen. Woonstad heeft naar andere huurders de verplichting om op te treden tegen overlastgevende situaties. De voorzieningenrechter weegt verder mee dat ter zitting namens [eiseres01] is erkend dat er wel iets aan de hand was in de woning. Desondanks heeft [eiseres01] twee woningen die Woonstad haar onverplicht had aangeboden, afgewezen, terwijl alle (destijds) betrokken partijen - haar advocaat, haar bewindvoerder en haar hulpverlener - [eiseres01] hebben geadviseerd dit aanbod wel te aanvaarden. Dit alles betekent dat de voorzieningenrechter geen enkele aanleiding ziet om de belangenafweging anders te laten uitvallen dan de kantonrechter heeft gedaan. De vordering van [eiseres01] wordt afgewezen.
4.4.
De bewindvoerder wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woonstad worden begroot op:
- griffierecht € 676,00
- salaris advocaat €
697,00
Totaal € 1.372,00

5..De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, aan de zijde van Woonstad tot op heden begroot op € 1.372,00,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2023.3608/2009