ECLI:NL:RBROT:2023:1909

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 januari 2023
Publicatiedatum
7 maart 2023
Zaaknummer
Lurisnummer: UTL-I-2022018442
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 1 EUVArt. 2 EUVArt. 12 EUVArt. 18 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitlevering aan Turkije wegens moordverdenking

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van Turkse autoriteiten tot uitlevering van een verdachte die wordt verdacht van moord gepleegd op 14 augustus 2019 in Bodrum, Turkije. De verdachte, die zowel de Nederlandse als Turkse nationaliteit bezit, werd op 14 juni 2022 aangehouden en erkende zijn identiteit.

De rechtbank stelde vast dat het verzoek voldeed aan de wettelijke eisen, waaronder de dubbele strafbaarheid van het feit volgens zowel Turks als Nederlands recht. De stukken waren toereikend en de terugkeergarantie, die waarborgt dat de verdachte bij veroordeling zijn straf in Nederland mag ondergaan, was specifiek verstrekt.

De verdediging voerde aan dat de terugkeergarantie uitgebreid zou moeten worden vanwege de nog niet vervulde Turkse militaire dienstplicht van de verdachte, maar de rechtbank oordeelde dat dit buiten haar taak valt en dat de Minister van Justitie en Veiligheid hierover dient te beslissen.

De rechtbank zag geen aanleiding om aanvullende garanties te eisen over de procesgang of detentieomstandigheden in Turkije en verklaarde de uitlevering toelaatbaar. De beslissing werd genomen door drie rechters en uitgesproken op 6 januari 2023.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering van de verdachte aan Turkije toelaatbaar met een specifieke terugkeergarantie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Lurisnummer: [nummer01]
Datum uitspraak: 6 januari 2023
Uitspraakvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:

[verdachte01] ,

geboren op [geboortedatum01] 1991 te [geboorteplaats01] ,
feitelijke woon- of verblijfplaats: [adres01] , [postcode01] te [woonplaats01] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres01] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon,
is
niet verschenen.

Procedure

De Turkse autoriteiten hebben bij brief d.d. 4 juli 2022 aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.
De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij brief d.d. 5 juli 2022 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 12 juli 2022, ter griffie ontvangen op diezelfde dag, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.
Op 16 december 2022 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:
- De officier van justitie, mr. H.A. van Wijk;
- De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft op de zitting, naar aanleiding van het daartoe gedane verzoek van de officier van justitie en gehoord de raadsman, de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich op 14 augustus 2019 en daarvoor te Bodrum, Turkije, heeft schuldig gemaakt aan:
- Moord, als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onder a, artikel 53 en Pro artikel 54 van Pro het Turkse Wetboek van Strafrecht.

Toepasselijke verdragen

Van toepassing zijn:
  • het Europees Verdrag betreffende uitlevering (
  • het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (

Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ten overstaan van de politie ter gelegenheid van zijn aanhouding op 14 juni 2022verklaard dat hij de persoon is genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek. Vastgesteld is toen dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring en deze gegevens.

Genoegzaamheid van de stukken

Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht.
De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het EUV en artikel 18 van Pro de Uitleveringswet.

Dubbele strafbaarheid

Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Turks recht strafbaar. Ter zake van dit feit kan ingevolge die bepalingen een levenslange vrijheidsstraf worden opgelegd.
Ook naar Nederlands recht is het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als:
- moord, strafbaar gesteld bij artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Voor dit feit kan naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, worden opgelegd.

Onschuld van de opgeëiste persoon

Blijkens hetgeen de raadsman op de zitting naar voren heeft gebracht, kan de opgeëiste persoon niet onverwijld aantonen onschuldig te zijn aan het feit waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.

Verzoeken met betrekking tot de terugkeergarantie

Nu de opgeëiste persoon ook de Nederlandse nationaliteit bezit, geldt op grond van artikel 4 van Pro de Uitleveringswet dat hij alleen mag worden uitgeleverd als is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, naar Nederland mag terugkeren om de straf aldaar te ondergaan.
De raadsman heeft ter zitting pleitnoties overgelegd en onder meer aangevoerd dat de terugkeergarantie specifiek en concreet moet zien op de opgeëiste persoon. Daarnaast voert de raadsman aan dat de opgeëiste persoon zijn verplichte Turkse militaire dienst nog niet heeft verricht. De verdediging wenst dat de terugkeergarantie uit wordt gebreid zodat de opgeëiste persoon niet eerst wordt gedwongen zijn militaire dienstplicht te vervullen. De verdediging verzoekt de rechtbank om de Minister op dit punt nader te adviseren.
De rechtbank overweegt dat het, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Uitleveringswet, de taak van de Minister is om te beoordelen of het voornoemde recht op het ondergaan van de straf in Nederland voldoende is gewaarborgd.
Voorts overweegt de rechtbank het volgende. De terugkeergarantie is vermeld in de brief van de Turkse autoriteiten van 2 augustus 2022, die aanvullend op het eerdere uitleveringsverzoek aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken is toegezonden. In deze brief is expliciet de naam van de opgeëiste persoon vermeld en is gerefereerd aan een brief van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid waarin ten aanzien van de opgeëiste persoon is verzocht om verstrekking van de terugkeergarantie. Daaruit volgt dat de terugkeergarantie specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon is verstrekt.
Ten aanzien van het verzoek om de Minister te adviseren om de terugkeergarantie uit te breiden vanwege de verplichte militaire dienstplicht van de opgeëiste persoon, overweegt de rechtbank dat zij het niet als haar taak ziet om de Minister te adviseren over aangelegenheden die buiten de door de tekst van de Uitleveringswet en de toepasselijke verdragen bestreken onderwerpen liggen. De rechtbank zal daarom aan dit verzoek geen gehoor geven.

Overige verzoeken

De raadsman vraagt om in het advies aan de Minister te verzoeken de situatie in Turkije op het moment dat hij een definitief besluit neemt goed in overweging te nemen en zo nodig meer specifieke garanties te bedingen over de eerlijke procesgang en de behandeling in detentie van de opgeëiste persoon. Het is aan de Minister om te beoordelen of na uitlevering mogelijk sprake zal zijn van een dreigende schending van de artikelen 3 en 6 van het EVRM. De rechtbank ziet geen concrete aanleiding om te vermoeden dat de Minister de specifieke situatie in Turkije op het moment van zijn besluitvorming niet zorgvuldig in ogenschouw zal nemen en daaraan de door hem geraden geachte consequenties zal verbinden en daarom wordt ook hieraan geen gehoor gegeven.

Slotsom

Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijke verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

Toepasselijke artikelen

De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op:
de artikelen 1, 2 en 12 van het EUV,
de artikelen 2, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet.

Beslissing

De rechtbank:
VERKLAART TOELAATBAAR de uitlevering aan Turkije van [verdachte01] , geboren op [geboortedatum01] 1991 te [geboorteplaats01] , ter strafvervolging van het hiervoor omschreven feit.
Deze beslissing is genomen door:
mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter,
en mrs. W.M. Stolk en E.H. de Bruijn, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H Mooren, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 januari 2023.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.