ECLI:NL:RBROT:2023:1946
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot executie uithuisplaatsingsbeschikking en niet-ontvankelijkheid in machtigingsverzoek gesloten jeugdhulp
De vader verzoekt de kinderrechter om Jeugdbescherming West te gelasten de beschikking tot uithuisplaatsing van zijn dochter bij hem te executeren, omdat de moeder de minderjarige niet terugstuurt ondanks de rechterlijke machtiging. De minderjarige verblijft al maanden bij de moeder, gaat niet naar school en vertoont zorgwekkend gedrag. De gecertificeerde instelling (GI) en hulpverleners van MST-CAN zijn betrokken en voeren een traject om de gezinssituatie te verbeteren.
De moeder weigert medewerking aan de uithuisplaatsing en stelt dat de thuissituatie bij haar beter is. De GI acht dwangmiddelen niet effectief en vreest dat dit weglopen van de minderjarige zal vergroten. De kinderrechter constateert dat de moeder de beschikking niet naleeft en dat dit een verkeerd voorbeeld is voor de minderjarige. Tegelijkertijd acht de rechter het noodzakelijk de MST-CAN hulpverlening af te wachten om de onderliggende patronen te doorbreken.
De kinderrechter wijst het verzoek van de vader af om de GI te verplichten tot executie van de uithuisplaatsingsbeschikking en verklaart hem niet-ontvankelijk in het verzoek om een machtiging tot gesloten jeugdhulp, omdat ouders volgens de wet geen verzoeker zijn voor dergelijke machtigingen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.
Uitkomst: Verzoek tot executie uithuisplaatsingsbeschikking afgewezen en vader niet-ontvankelijk in machtigingsverzoek gesloten jeugdhulp.