De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het gezag van de moeder over een minderjarige met ernstige hersenschade, en benoeming van een gecertificeerde instelling (GI) tot voogd. De moeder kampt met ernstige persoonlijke problematiek, waaronder lachgasgebruik en geen vaste woonplaats, waardoor zij niet in staat is de intensieve zorg te bieden die het kind nodig heeft. De vader heeft het kind erkend met toestemming van de moeder, maar dit is nog niet geregistreerd en hij is niet betrokken geweest bij het raadsonderzoek.
De moeder voert verweer en stelt dat het verzoek te vroeg komt, dat het perspectief van het kind nog niet vaststaat en dat zij openstaat voor een moeder-kindhuis. De vader wil betrokken zijn en is bereid zorg te dragen, eventueel met hulp van de grootmoeder. De Raad en GI ondersteunen het verzoek tot gezagsbeëindiging vanwege het ontbreken van een stabiele situatie en het belang van het kind.
De rechtbank constateert dat door nieuwe informatie over het gezag van de vader en de complexe situatie geen volledig beeld bestaat om een gedegen beslissing te nemen. Daarom wordt het verzoek aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer. De Raad wordt opgedragen aanvullend onderzoek te doen naar de mogelijkheden van de vader en hierover te rapporteren. De zaak wordt op 21 april 2023 opnieuw behandeld.