Verzoeker, arbeidsongeschikt en onder beschermingsbewind, diende een verzoek in tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet voor een dwangakkoord betreffende een schuldregeling met negentien schuldeisers. Veertien schuldeisers stemden in met het voorstel, vijf weigerden.
De rechtbank stelde vast dat het voorstel, gebaseerd op een prognose-akkoord en uitgevoerd door de beschermingsbewindvoerder, het maximaal haalbare was gezien de arbeidsongeschiktheid en financiële situatie van verzoeker. De weigering van de vijf schuldeisers werd beoordeeld aan de hand van de belangenafweging tussen hun belang en dat van verzoeker en de overige schuldeisers.
Gelet op de instemming van de meerderheid, de deskundige toetsing van het voorstel en het feit dat de schuldenlast stabiel bleef, oordeelde de rechtbank dat de belangen van verzoeker en instemmende schuldeisers zwaarder wegen. De rechtbank beveelt de vijf schuldeisers tot instemming en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.
De kosten van de procedure worden aan de zijde van verzoeker begroot op nihil, aangezien geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet door een advocaat is bijgestaan. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.