Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoekster;
- mevrouw mr. A. Ekkel, werkzaam bij JAW advocaten (hierna: advocaat);
2..Het verzoek
3..Het verweer
4..De beoordeling
5..De beslissing
van zes maanden;
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar woonruimte opschort. De rechtbank beoordeelt of sprake is van een bedreigende situatie en weegt het belang van verzoekster af tegen dat van verweerster.
Uit het dossier blijkt dat verzoekster voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen te betalen en dat zij deze ook daadwerkelijk heeft voldaan, waaronder dubbele betaling in december 2022 en betaling van de huur in maart 2023. Verweerster is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank concludeert dat het belang van verzoekster, namelijk het kunnen blijven wonen en het doorlopen van het schuldhulpverleningstraject, zwaarder weegt dan het belang van verweerster bij uitvoering van het vonnis. Daarom wordt de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de woonruimte voor zes maanden opschort onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.