De rechtbank Rotterdam behandelde op 14 maart 2023 twee verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarig kind, gedaan door de gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming. De ondertoezichtstelling was eerder opgelegd vanwege een verstoorde relatie tussen de ouders en het gebrek aan contact tussen het kind en de vader.
De GI verzocht om verlenging voor twaalf maanden, maar diende het verzoek niet tijdig in volgens het procesreglement. De Raad verzocht eveneens om verlenging voor een jaar, stellende dat er nog sprake was van een ontwikkelingsbedreiging en dat contactherstel noodzakelijk was. De vader had echter niet meegewerkt aan het contacthersteltraject, mede doordat hij naar België was verhuisd en plannen had om naar Spanje te verhuizen.
De moeder was tegen verlenging en stelde dat het traject niet van de grond was gekomen en dat er geen zorgen waren over de verzorging en opvoeding van het kind. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke criteria voor verlenging niet langer waren vervuld en wees beide verzoeken af. De ondertoezichtstelling is daarmee beëindigd.