Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- schuldenaar;
- dhr. mr. [naam01] , werkzaam bij Advocatenkantoor Plaat;
- mw. R. Springer, bewindvoerder.
2.De standpunten
3.De beoordeling
4.De beslissing
3 januari 2026;
.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van schuldenaar. Uit de beoordeling bleek dat schuldenaar enkele verplichtingen uit de regeling niet naar behoren was nagekomen, waaronder het niet melden van bepaalde vorderingen en het ontstaan van een boedelachterstand.
De rechtbank erkende echter verzachtende omstandigheden, zoals de dakloosheid van schuldenaar in 2015 waardoor hij geen zicht had op een vordering van het UWV, en de onwetendheid over een opleidingsvordering bij de Bestuuracademie. Schuldenaar toonde ook bereidheid om de boedelachterstand binnen drie maanden te voldoen.
Verder werd vastgesteld dat schuldenaar een gezamenlijke bankrekening met zijn nieuwe vriendin heeft, wat invloed kan hebben op het inkomen en de afdracht. De rechtbank vond de tekortkomingen niet zwaarwegend genoeg voor tussentijdse beëindiging en verlengde daarom de regeling met twaalf maanden. Schuldenaar kreeg een laatste kans om aan alle verplichtingen te voldoen en werd gewezen op de wettelijke gevolgen van vermogenswijzigingen tijdens de verlenging.
Uitkomst: Verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen en de regeling wordt verlengd met twaalf maanden.