Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- de heer [naam01] , werkzaam bij Zuidweg & Partners (hierna: SHV);
- mevrouw [naam02] , werkzaam bij Syncasso, namens Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker, een zzp’er in asbestsanering, vroeg op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening die de ontruiming van zijn huurwoning schorst. Hij had tijdens de coronapandemie een terugval in inkomen en kon pas recent een nieuw project starten waarmee hij zijn huur kan betalen.
Verweerster, de verhuurder, stelde dat verzoeker al sinds 2019 huurachterstanden had en dat ook andere schuldeisers, zoals het CJIB, vorderingen hadden. Zij wilde de ontruiming doorzetten maar stond onder voorwaarden open voor een moratorium.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. Gezien de recente betaling van de huur en de inkomsten van verzoeker, woog het belang van verzoeker om in de woning te blijven zwaarder dan het belang van verweerster. De voorlopige voorziening werd daarom voor zes maanden toegewezen met de voorwaarde dat lopende termijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast werd het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel afgerond zal zijn. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
De huurovereenkomst werd verlengd voor de duur van de voorziening en SHV, namens verzoeker, moet uiterlijk twee weken voor afloop verslag uitbrengen over de schuldregeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming voor zes maanden schorst en verklaart het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.