Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van de eendaadse samenloop van het medeplegen van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde, met partieel vrijspraak van de gebruikmaking van een echt vuurwapen;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest;
- oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van drie jaren, inhoudende een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte01] en de aangever [slachtoffer01] alsmede een locatieverbod [adres01] , te vervangen door hechtenis voor de duur van één week per overtreding van de maatregel, en dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.
4.Waardering van het bewijs
,welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer01] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of een andere deelnemer aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
nen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming en een vals kostuum, door
5.Strafbaarheid feiten
6.Strafbaarheid verdachte
7.Strafmotivering
8.Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer01]ter zake van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde strafbare feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.359,67 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en verzoekt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Bijlagen
11.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar;
[slachtoffer01], ter zake van de bewezen klaarde feiten onder 1, 2 en 4, tot een bedrag van
€ 4.859,67 (zegge: vier duizend achthonderdnegenenvijftig euro en zevenenzestig eurocent), bestaande uit
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer01] te betalen
€ 4.859,67(hoofdsom,
zegge: vier duizend achthonderdnegenenvijftig euro en zevenenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
30 april 2022tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van
€ 4.859,67niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
58 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;