Eiser is eigenaar en gebruiker van een Rijksmonument uit 1600, bestaande uit een casco onroerende zaak zonder woonvoorzieningen. De heffingsambtenaar legde aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) op voor eigenaren en gebruikers van niet-woningen, gebaseerd op een WOZ-waarde van €53.000 voor het belastingjaar 2020.
Eiser betwist de classificatie van het pand als opslag/distributie in plaats van garage, maar de rechtbank stelt vast dat dit onderscheid voor de OZB-tarieven niet relevant is. De onroerende zaak wordt door partijen als niet-woning erkend, wat het hogere tarief voor eigenaren rechtvaardigt.
De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten die qua ligging, bestemming en monumentstatus vergelijkbaar zijn. De rechtbank acht de waardering niet te hoog vastgesteld. Ook is de hoorplicht niet geschonden, ondanks het ontbreken van een inpandige opname vanwege corona.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de aanslagen correct zijn opgelegd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.