De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2008 en 2012, vanwege zorgen over hun lichamelijke en emotionele ontwikkeling, belast verleden en schoolverzuim. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, woont met de kinderen en ontvangt praktische ondersteuning van Middin. Ondanks liefdevolle interactie is het de moeder niet gelukt zelfstandig de zorgen weg te nemen of hulpverlening effectief in te zetten.
Tijdens de mondelinge behandeling bevestigde de gecertificeerde instelling de zorgen over het belaste verleden van de moeder en haar beperkte begeleidbaarheid, waardoor hulpverlening niet van de grond komt. De moeder verzette zich tegen het verzoek en benadrukte haar inzet en medewerking, waaronder betrokkenheid van de Kredietbank en medische behandeling van een kind met diabetes type 2.
De kinderrechter constateerde dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat passende hulpverlening noodzakelijk is om blijvende verbetering te realiseren. Hoewel positieve ontwikkelingen zichtbaar zijn, zijn deze nog kwetsbaar. Daarom werd besloten tot een ondertoezichtstelling voor negen maanden, korter dan het gevraagde jaar, met als doel structurele schoolgang en medische trajecten te waarborgen. Het overige deel van het verzoek werd afgewezen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden met tussenkomst van een advocaat worden aangevochten bij het gerechtshof te Den Haag.