Uitspraak
[verdachte01] ,
Opgelegde straf
Rotterdam van 11 april 2019, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 3 (drie) jaar, met aftrek van voorarrest.
Rechtbank Rotterdam
De veroordeelde werd bij onherroepelijk vonnis van 11 april 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar met diverse bijzondere voorwaarden waaronder een locatiegebod en meldplicht. De voorwaardelijke invrijheidstelling ging in op 11 juli 2020, waarna de veroordeelde in het buitenland verbleef en op 29 december 2022 feitelijk voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld.
Het Openbaar Ministerie diende op 14 februari 2023 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in wegens het niet naleven van het locatiegebod en de meldplicht. Uit het rapport van de reclassering en de zitting bleek dat de veroordeelde zijn enkelband had doorgeknipt en zonder overleg naar Turkije was vertrokken, waar hij geopereerd werd en herstelde.
De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde verwijtbaar de voorwaarden had geschonden en herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling aan de orde was. Gezien de problematiek van de veroordeelde en het belang van toezicht en hulp, wees de rechtbank de herroeping slechts gedeeltelijk toe voor 180 dagen, waarbij het resterende deel van de voorwaardelijke invrijheidstelling en voorwaarden gehandhaafd blijven.
De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 8 maart 2023.
Uitkomst: De rechtbank wijst gedeeltelijk de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat 180 dagen van de straf alsnog moet worden ondergaan.