Op 8 december 2022 vond een woninginbraak plaats waarbij sieraden, munten en papieren werden gestolen. De verdachte werd aangehouden als bijrijder in een auto waaruit later een tas met de gestolen goederen werd gegooid. De auto werd gevolgd door de politie na een melding van een gestolen voertuig.
De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 6 maanden wegens medeplegen van diefstal met braak en subsidiair heling. De verdachte ontkende betrokkenheid en verklaarde als toerist via een vriend een lift te hebben gekregen van een onbekende. Er was geen wettig en overtuigend bewijs dat hij bij de inbraak aanwezig was of wist van de gestolen goederen in de auto.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was om de verdachte als dader aan te merken. Er waren geen getuigen die hem bij de woning hadden gezien, noch concrete sporen die zijn betrokkenheid konden bevestigen. Ook kon niet worden vastgesteld dat hij wist dat de goederen uit een misdrijf afkomstig waren. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van wettig en overtuigend bewijs voor een veroordeling en bevestigt dat twijfel over daderschap of kennis van gestolen goederen leidt tot vrijspraak.