ECLI:NL:RBROT:2023:2996
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toekenning voorlopige woonkostentoeslag voor onzelfstandige woonruimte op grond van Participatiewet
Verzoeker huurt een studio die door de Belastingdienst als onzelfstandige woonruimte is aangemerkt, waardoor hij geen recht heeft op huurtoeslag. Het college wees de aanvraag voor een woonkostentoeslag op grond van de Participatiewet af met het argument dat de huurtoeslag een voorliggende voorziening is. Verzoeker stelde dat hij wel aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand voldoet en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de Wet op de huurtoeslag niet als passende en toereikende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt, omdat verzoeker feitelijk geen aanspraak kan maken op huurtoeslag voor de onzelfstandige woonruimte. Ook is er geen expliciete wettelijke of beleidsmatige bepaling die de woonkostentoeslag bij onzelfstandige woonruimte uitsluit.
Op basis van vaste rechtspraak en wetsgeschiedenis concludeert de voorzieningenrechter dat het standpunt van het college geen stand houdt. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en wordt het college bevolen een voorschot op de woonkostentoeslag uit te betalen totdat de beroepsprocedure is afgerond.
Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige woonkostentoeslag wordt toegewezen en het college moet een voorschot uitbetalen.