ECLI:NL:RBROT:2023:3148

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 maart 2023
Publicatiedatum
17 april 2023
Zaaknummer
99/000382-50
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperkte verlenging proeftijd voorwaardelijke invrijheidstelling wegens klinische opname en verslavingsgevoeligheid

De veroordeelde werd bij arrest van het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar, waarvan hij op 12 februari 2020 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld met een proeftijd van 1095 dagen en bijzondere voorwaarden, waaronder klinische behandeling en begeleid wonen.

Na gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wegens niet-naleving van voorwaarden, bracht de veroordeelde 65 dagen in detentie door en werd opnieuw voorwaardelijk vrijgelaten met een proeftijd die op 23 april 2023 afloopt. De officier van justitie verzocht om verlenging van de proeftijd met twee jaar, gesteund door een reclasseringsrapport dat een hoog recidiverisico constateerde.

Tijdens de terechtzitting op 31 maart 2023 werd het advies van de reclassering toegelicht, waarbij werd vermeld dat een overplaatsing naar een forensisch psychiatrisch centrum (FPA) gepland staat, maar de duur en timing onzeker zijn vanwege wachtlijsten. De verdediging voerde aan dat verlenging van twee jaar disproportioneel is en in strijd met artikel 7 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat verlenging noodzakelijk is vanwege de geestelijke gesteldheid en verslavingsgevoeligheid van de veroordeelde, maar dat een verlenging van twee jaar niet verenigbaar is met het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2021. De maximale duur van vrijheidsbeneming in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling mag niet langer zijn dan 232 dagen. Daarom werd de proeftijd verlengd met 232 dagen.

Uitkomst: De proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verlengd met 232 dagen, waarbij een verlenging van twee jaar wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
VI-zaaknummer: 99/000382-50
Datum uitspraak: 31 maart 2023
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak betreffende de veroordeelde
[veroordeelde01] ,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres01] te ( [postcode01] ) [plaats01] ,
raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Voorgaande veroordeling
Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 september 2016 is de veroordeelde een gevangenisstraf van 9 (negen) jaar opgelegd, met aftrek van voorarrest.
1.2.
Voorwaardelijke invrijheidstelling
Op 12 februari 2020 is de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid gesteld, met een proeftijd van 1095 dagen. Hieraan zijn destijds bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder opname in een zorginstelling/klinische behandeling en meewerken aan begeleid wonen/maatschappelijke opvang.
Op 25 augustus 2022 heeft de rechtbank Rotterdam de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk, te weten voor een periode van 180 dagen, herroepen, aangezien de veroordeelde de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden bijzondere voorwaarden, in het bijzonder het meewerken aan begeleid wonen, niet had nageleefd. De veroordeelde heeft vervolgens in totaal 65 dagen in detentie doorgebracht. Op 10 oktober 2022 is de veroordeelde door het openbaar ministerie opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld en in het kader van de daaraan verbonden bijzondere voorwaarde van klinische behandeling opgenomen in de FPK Fivoor te Poortugaal. Op die datum is de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling weer gestart. De proeftijd loopt thans af op 23 april 2022.
1.3.
Vordering
Op 10 maart 2023 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van twee jaar.
Bij de vordering is het rapport van 15 februari 22023 van Fivoor overgelegd. Het advies is de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling te verlengen met twee jaar.
1.4.
Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2023.
De officier van justitie, mr. L. Verhoeven, en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman zijn gehoord. Voorts is gehoord [naam01] , als reclasseringswerker verbonden aan de reclassering/GGZ Antes.
De reclasseringswerker heeft het reclasseringsrapport van 15 februari 2023 toegelicht. Zij meldt dat er na het uitbrengen van het rapport inmiddels een bespreking van het behandelplan van de veroordeelde heeft plaatsgehad en dat toen is besloten een overplaatsing naar een FPA in gang te zetten. Over de termijn waarop die overplaatsing plaats zou kunnen vinden, kan – gelet op de wachtlijsten – geen uitspraak worden gedaan, net zo min als over de te verwachten duur van het verblijf in die FPA.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de proeftijd. Thans is het recidiverisico nog te hoog. Verlenging van de proeftijd is proportioneel. Voortzetting van de opname in een FPA dan wel een FPK valt binnen de opgelegde bijzondere voorwaarden en past binnen de door Hoge Raad bepaalde grenzen.
De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen. Primair is verlenging van de proeftijd voor de duur van twee jaar in strijd met artikel 7 van Pro het EVRM. Dit zou immers betekenen dat de veroordeelde langer van zijn vrijheid wordt beroofd dan de straf die door het Gerechtshof is opgelegd. Subsidiair is verlenging van de proeftijd niet proportioneel. De veroordeelde heeft al twee keer het traject binnen een FPK doorlopen. Verlenging van de proeftijd zou betekenen dat hij weer terug bij af is.

2..Beoordeling

De rechtbank is op grond van het advies van de reclassering en de daarop ter zitting gegeven toelichting van oordeel dat het noodzakelijk is om de proeftijd te verlengen. Dit is met name gelegen in de geestelijke situatie van de veroordeelde in combinatie met zijn verslavingsgevoeligheid voor alcohol alsmede gelet op de gebrekkige medicatietrouw.
Toewijzing van de door de officier van justitie gevorderde verlenging van de proeftijd met twee jaar verdraagt zich echter niet met het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2021 (ECLI:NL:HR:2021:850). De veroordeelde zal immers (tot aan 23 april 2023) in het kader van bijzondere voorwaarden bij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling in totaal 798 dagen in klinische behandeling hebben doorgebracht en, na gedeeltelijke herroeping, 65 dagen in detentie. Uit het genoemde arrest van de Hoge Raad vloeit voort dat de vrijheidsbeneming van de veroordeelde in het kader van een klinische opname, uitgaande van strafrestant van 1095 dagen minus 798 dagen klinische opname en 65 dagen detentie na gedeeltelijke herroeping, thans nog maximaal 232 dagen mag duren. Aangezien op dit moment niet bekend is wanneer de veroordeelde wordt overgeplaatst naar een FPA en hoe lang de opname in die FPA gaat duren zou verlenging van de proeftijd met de geldende voorwaarden voor de volle duur van twee jaar – zoals gevorderd – ertoe kunnen leiden dat de veroordeelde langer van zijn vrijheid wordt beroofd dan de maximale duur van de gevangenisstraf die hem is opgelegd.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de proeftijd met de duur van 232 dagen kan worden verlengd.

3..Beslissing

De rechtbank
wijst de vordering gedeeltelijk toe en verlengt de proeftijd met 232 dagen.
Deze beslissing is genomen door mr. C. Vogtschmidt, voorzitter,
en mrs. G.M. Munnichs en A. Kortrijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.H. Frerichs griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.