ECLI:NL:RBROT:2023:3148
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beperkte verlenging proeftijd voorwaardelijke invrijheidstelling wegens klinische opname en verslavingsgevoeligheid
De veroordeelde werd bij arrest van het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar, waarvan hij op 12 februari 2020 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld met een proeftijd van 1095 dagen en bijzondere voorwaarden, waaronder klinische behandeling en begeleid wonen.
Na gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wegens niet-naleving van voorwaarden, bracht de veroordeelde 65 dagen in detentie door en werd opnieuw voorwaardelijk vrijgelaten met een proeftijd die op 23 april 2023 afloopt. De officier van justitie verzocht om verlenging van de proeftijd met twee jaar, gesteund door een reclasseringsrapport dat een hoog recidiverisico constateerde.
Tijdens de terechtzitting op 31 maart 2023 werd het advies van de reclassering toegelicht, waarbij werd vermeld dat een overplaatsing naar een forensisch psychiatrisch centrum (FPA) gepland staat, maar de duur en timing onzeker zijn vanwege wachtlijsten. De verdediging voerde aan dat verlenging van twee jaar disproportioneel is en in strijd met artikel 7 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat verlenging noodzakelijk is vanwege de geestelijke gesteldheid en verslavingsgevoeligheid van de veroordeelde, maar dat een verlenging van twee jaar niet verenigbaar is met het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2021. De maximale duur van vrijheidsbeneming in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling mag niet langer zijn dan 232 dagen. Daarom werd de proeftijd verlengd met 232 dagen.
Uitkomst: De proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verlengd met 232 dagen, waarbij een verlenging van twee jaar wordt afgewezen.