ECLI:NL:RBROT:2023:3149
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bezwaar tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wegens nieuwe strafbare feiten
De veroordeelde werd op 22 juli 2021 veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en op 16 mei 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Op 24 februari 2023 besloot het openbaar ministerie de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen voor 237 dagen, omdat de veroordeelde op 2 februari 2023 was veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie, wat een overtreding van de algemene voorwaarde vormt.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze herroeping, stellende dat het vonnis nog niet onherroepelijk was en dat het OM onvoldoende had gemotiveerd waarom niet kon worden gewacht op de definitieve afdoening en waarom de gehele invrijheidstelling werd herroepen. Tevens stelde hij dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening had gehouden met de lopende voorwaardelijke invrijheidstelling.
De rechtbank oordeelde dat het nog niet onherroepelijk zijn van het vonnis geen beletsel vormt voor herroeping en dat het OM voldoende gronden had om de herroeping te rechtvaardigen. De rechtbank verwierp het verweer dat een nadere motivering vereist is en stelde dat de rechtbank bij de strafoplegging geen uitspraak had gedaan over de lopende voorwaardelijke invrijheidstelling. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen.