In deze zaak vordert eiser vergoeding van schade wegens het niet aanbieden van de functie van hoofdwerktuigkundige binnen 26 weken na zijn uitdiensttreding bij P&O, zoals bepaald in artikel 2.9 van het Sociaal Plan. De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis dat P&O in strijd met dit artikel heeft gehandeld en daarom schadevergoeding verschuldigd is.
Eiser stelde aanvankelijk zijn schade vast op het gemiste werkgeversdeel in de pensioenpremie, maar verhoogde later zijn eis met een bedrag aan inkomensschade en fiscaal nadeel. De rechtbank stelde vast dat de pensioenpremieschade, na correctie van rekenfouten en rekening houdend met gemiddelde pensioneringstermijnen, € 6.583,76 bedraagt. De vordering voor inkomensschade werd afgewezen omdat deze grotendeels al in de ontslagvergoeding was verdisconteerd en toekenning zou leiden tot een onredelijke verrijking.
Daarnaast werd het fiscale nadeel van een in één keer ontvangen schade-uitkering toegewezen, aangezien dit een reëel nadeel kan vormen en niet gemotiveerd door P&O werd betwist. De rechtbank veroordeelde P&O tot betaling van deze bedragen met rente en in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor eiser direct betaling kan afdwingen.