De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 6 maart 2023 om een ondertoezichtstelling van het kind voor de duur van een jaar, met als doel zicht te krijgen op de thuissituatie en passende hulpverlening in te zetten. De Raad en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond uitten zorgen over het kind, zoals onzekerheid, somberheid en onvoldoende hulpverlening in het vrijwillige kader.
De moeder voerde verweer en stelde dat de zorgen uit 2021 niet bevestigd zijn. Zij toonde aan dat het kind positieve ontwikkelingen doormaakt op school en sociaal vlak, en dat de hulpverlening via Indigo goed op gang is gekomen. Ook is de verblijfsstatus van de moeder verduidelijkt, waardoor eerdere zorgen hierover zijn weggenomen. De vader bevestigde dat de omgang met het kind verbeterd is en sprak vertrouwen uit in de moeder.
De kinderrechter oordeelde dat weliswaar voldaan is aan de wettelijke eisen voor een ondertoezichtstelling, maar dat er geen sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind. De hulpverlening wordt inmiddels adequaat opgepakt binnen het vrijwillige kader, mede dankzij de samenwerking tussen moeder en school. De afstand en complexiteit van eerdere hulpverlening werden als begrijpelijke belemmeringen erkend. Daarom werd het verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen.
De beschikking werd mondeling uitgesproken op 31 maart 2023 en schriftelijk vastgesteld op 17 april 2023. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.