Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die de strafzaak tegen hem behandelt, omdat hij meent dat de rechter reeds een oordeel heeft gevormd over zijn aanwezigheid bij een container met cocaïne. Tijdens de terechtzitting stelde de rechter een vraag aan de medeverdachte over diens aanwezigheid bij de container, wat volgens verzoeker impliceert dat de rechter ervan uitgaat dat hij zelf ook aanwezig was.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de eis van onpartijdigheid van de rechter. Uit het dossier blijkt dat verzoeker en een andere persoon op 26 augustus 2022 in de nabijheid van de container waren, hetgeen de officier van justitie gebruikte voor de tenlastelegging. De vraag van de rechter aan de medeverdachte werd niet gezien als een vaststaand oordeel over de aanwezigheid van verzoeker.
De wrakingskamer concludeert dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de rechter partijdig is of dat er een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaat. Het verzoek wordt daarom ongegrond verklaard en afgewezen. De beslissing is in aanwezigheid van de griffier en de oudste rechter uitgesproken en is niet vatbaar voor beroep.