De rechtbank Rotterdam heeft op 23 februari 2023 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van het voorhanden hebben van circa 475 kilogram cocaïne. De verdachte stelde zijn loods beschikbaar voor het stallen en lossen van een container met cocaïne. De container was op 6 december 2019 in de loods geopend en de verzegeling verbroken.
De verdediging voerde aan dat onvoldoende bewijs bestond dat de verdachte wetenschap had van de cocaïne in de container en dat de terugplaatsmonsters niet duidelijk waren onderzocht. De rechtbank oordeelde echter dat op basis van de aanwezigheid van de verdachte bij het lossen, de gesprekken en de omstandigheden, wetenschap van de cocaïne bewezen was. De chatberichten en verklaringen van medeverdachten boden geen voldoende grond om het tegendeel aan te nemen.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte samen met anderen de cocaïne voorhanden had en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. De straf is lager dan de eis van 6,5 jaar vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim een jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de maatschappelijke gevolgen van drugshandel, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.