ECLI:NL:RBROT:2023:3720

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2023
Publicatiedatum
1 mei 2023
Zaaknummer
10094010
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling eigen bijdrage terugkeer Nederland tijdens coronacrisis toegewezen

Tijdens de coronacrisis verbleef gedaagde in Marokko en maakte gebruik van terugkeerhulp van de Staat der Nederlanden, waarvoor een eigen bijdrage van €300 verschuldigd was. Gedaagde betaalde dit bedrag niet, waarna de Staat een procedure startte om betaling af te dwingen.

Gedaagde erkende de schuld aan de eigen bijdrage, zodat de rechtbank deze vordering toewijst. De Staat vorderde daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke kosten, maar kon niet aantonen dat gedaagde voorafgaand aan de procedure een aanmaning had ontvangen, waardoor deze vordering werd afgewezen.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis, om hem een redelijke termijn te geven om zonder extra kosten te betalen. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten omdat zij onvoldoende had onderbouwd dat de procedure noodzakelijk was, mede doordat gedaagde had aangeboden te betalen na dagvaarding en er geen bewijs was van aanmaningen.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bevat een duidelijke toewijzing van de hoofdsom, rente en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €300 eigen bijdrage met wettelijke rente en de Staat wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10094010 CV EXPL 22-27869
datum uitspraak: 21 april 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het
Ministerie van Buitenlandse Zaken,
vestigingsplaats: Den Haag,
eiseres,
gemachtigde: Betalis B.V. te Prinsenbeek,
rolgemachtigde: Velthoven De Koning Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,
tegen
[gedaagde01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘de Staat’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 16 augustus 2022, met bijlagen;
  • het antwoord.
1.2.
Op 4 april 2023 is de zaak mondeling behandeld. De Staat is voor deze zitting uitgenodigd, door middel van een brief die is verstuurd naar haar rolgemachtigde. Er is echter niemand verschenen. [gedaagde01] is wel verschenen, bijgestaan door A. Ben Ali (tolk in de Arabische taal).

2.De beoordeling

[gedaagde01] moet € 300,- betalen aan de Staat
2.1.
Bij de uitbraak van de coronacrisis verbleef [gedaagde01] in Marokko. Aangezien veel grenzen sloten en negatieve reisadviezen werden afgegeven, heeft de Staat [gedaagde01] geholpen om terug te keren naar Nederland. Voor deze hulp moest [gedaagde01] een eigen bijdrage van € 300,- betalen. [gedaagde01] heeft dat bedrag niet betaald. De Staat eist daarom in deze procedure dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om dat bedrag alsnog te betalen. [gedaagde01] is het daarmee eens. Deze eis wordt daarom toegewezen.
[gedaagde01] hoeft geen buitengerechtelijke kosten te betalen
2.2.
De Staat eist dat [gedaagde01] ook wordt veroordeeld om een vergoeding van buitengerechtelijke kosten te betalen. Deze eis wordt afgewezen. De Staat kan alleen een vergoeding voor die kosten krijgen als [gedaagde01] een aanmaning van haar heeft ontvangen, die voldoet aan de wettelijke eisen (artikel 6:96 BW Pro). [gedaagde01] heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij voorafgaand aan deze procedure nooit aanmaningen heeft ontvangen. De Staat heeft vervolgens geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat hij die aanmaningen wel degelijk heeft ontvangen. De Staat heeft haar vordering op dit punt dus onvoldoende onderbouwd.
[gedaagde01] moet rente betalen vanaf 14 dagen na dit vonnis
2.3.
De Staat eist verder dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om wettelijke rente te betalen vanaf de datum van dit vonnis. Deze eis is op de wet gebaseerd (artikel 6:119 BW Pro) en wordt toegewezen vanaf 5 mei 2023, namelijk 14 dagen na dit vonnis. Zo heeft [gedaagde01] nog een redelijke periode de tijd om zonder bijkomende kosten de € 300,- te betalen. Daarbij weegt mee dat [gedaagde01] onbetwist heeft gesteld dat hij na ontvangst van de dagvaarding contact heeft opgenomen met de deurwaarder en aangeboden heeft de eigen bijdrage te betalen, maar dat dit van de hand is gewezen omdat er al een procedure liep.
De Staat moet de proceskosten van [gedaagde01] betalen
2.4.
De Staat moet de kosten van deze procedure betalen, omdat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat het nodig was om deze procedure te starten. Niet gesteld of gebleken is dat en op grond waarvan [gedaagde01] voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding uit zichzelf het bedrag van € 300,- had moeten betalen. Verder is, zoals hiervoor overwogen, door de Staat niet (voldoende concreet) onderbouwd dat [gedaagde01] voorafgaand aan deze procedure enige aanmaning heeft ontvangen én heeft [gedaagde01] onbetwist gesteld dat zijn aanbod om na het uitbrengen van de dagvaarding de hoofdsom te betalen van de hand is gewezen. De kantonrechter begroot de kosten aan de zijde van [gedaagde01] op € 50,-. De wettelijke rente hierover, waarop [gedaagde01] aanspraak maakt, wordt toegewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan de Staat € 300,- te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 5 mei 2023 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt de Staat in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 50,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
33394