Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 29 november 2019, maar verzoeker toont inmiddels een verbeterde financiële situatie en is onder beschermingsbewind.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie nu de ontruiming op korte termijn zou plaatsvinden. Het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten weegt zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Overlast wordt niet meegewogen omdat dit niet als grond voor ontruiming in het vonnis is opgenomen.
De rechtbank stelt voorwaarden waaronder de voorziening geldt, waaronder tijdige betaling van lopende huurtermijnen. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met mogelijkheid tot hernieuwd verzoek. De voorlopige voorziening geldt voor zes maanden.