ECLI:NL:RBROT:2023:3760
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot omzetting faillissement in schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot opheffing van haar faillissement met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting zijn verzoekster, haar beschermingsbewindvoerder en de curator gehoord. De curator heeft geen positief advies gegeven en stelde dat verzoekster in de afgelopen vijf jaar aanzienlijke leningen bij privépersonen is aangegaan zonder aflossing, terwijl zij wist dat aflossing niet mogelijk was.
Verzoekster verklaarde dat de leningen geleidelijk werden afgesloten om rond te komen, mede vanwege een laag inkomen en het ontbreken van alimentatie. Haar beschermingsbewindvoerder benadrukte dat toelating tot de schuldsaneringsregeling zou leiden tot een afloscapaciteit die nu ontbreekt. De rechtbank oordeelde dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek omdat het niet aan haar toe te rekenen is dat zij niet tijdig een verzoek tot schuldsanering indiende.
Echter, de rechtbank stelde vast dat verzoekster niet te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden, gezien het grote bedrag van €193.800 aan leningen in vijf jaar en het ontbreken van voldoende inzicht in de besteding daarvan. De rechtbank achtte het onwaarschijnlijk dat het geld uitsluitend voor noodzakelijke uitgaven was gebruikt. Gezien deze omstandigheden werd het verzoek tot omzetting afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot omzetting faillissement in schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.