Verzoekers dienden een verzoek in tot toepassing van een gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet. De regeling betrof een saneringskrediet gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker, die fulltime werkt, terwijl verzoekster niet werkt en medische klachten heeft.
Elf schuldeisers stemden in met de regeling, maar één schuldeiser, met een vordering van 20,6% van de totale schuldenlast, weigerde in te stemmen. De rechtbank oordeelde dat het belang van deze schuldeiser bij volledige voldoening van haar vordering zwaarder weegt dan dat van verzoekers en overige schuldeisers.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij langdurig niet in staat is om te werken, mede omdat zij geen medische stukken overlegd had en nog niet actief had gesolliciteerd. Daarnaast waren leningen bij familie en vrienden niet meegenomen in de regeling, wat niet acceptabel werd geacht. Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.