Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zeven concurrente schuldeisers, waarbij zes schuldeisers instemden en één schuldeiser, met een vordering van 13,8% van de totale schuldenlast, weigerde mee te werken. De regeling voorziet in een betaling van 29,26% van de schuldenlast via een saneringskrediet, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker, die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en onder begeleiding staat.
De rechtbank oordeelt dat de weigering van de schuldeiser niet redelijk is, gelet op het geringe aandeel van de vordering, de instemming van de meerderheid van schuldeisers, de toetsing door een onafhankelijke partij en de goede documentatie van het voorstel. Daarnaast is het voorstel gunstiger voor schuldeisers dan de wettelijke schuldsaneringsregeling, die hogere kosten met zich meebrengt en later uitkeert.
De rechtbank beveelt de schuldeiser om in te stemmen met de schuldregeling, wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De schuldeiser wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, begroot op nihil. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming.