De werknemer trad in 2019 in dienst bij Amso B.V. als automonteur en werd in 2021 in vaste dienst genomen. Vanaf september 2021 meldde hij zich ziek met beperkingen vastgesteld door de bedrijfsarts, waaronder een op dat moment volledige arbeidsongeschiktheid. Gedurende de ziekteperiode ontstond een conflict tussen werknemer en werkgever, leidend tot officiële waarschuwingen en een beëindigingsvoorstel van de werkgever.
De werkgever startte twee mediationtrajecten die zonder resultaat bleven en schakelde een privédetective in die de werknemer observeerde. De werkgever stelde dat de werknemer onjuiste informatie gaf over zijn beperkingen en arbeidsmogelijkheden, wat ernstig verwijtbaar handelen zou zijn. De werknemer ontkende dit en stelde dat de verstoorde arbeidsrelatie door de werkgever werd veroorzaakt.
De kantonrechter oordeelde dat er sprake is van een opzegverbod wegens ziekte, maar dat dit niet aan ontbinding in de weg staat omdat de ontbindingsgrond niet aan de ziekte gerelateerd is. Er is onvoldoende bewijs voor ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Wel is de arbeidsrelatie duurzaam verstoord, wat een redelijke grond voor ontbinding vormt. Herplaatsing is niet mogelijk. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2023.
De kantonrechter kent geen billijke vergoeding toe omdat de werkgever zich niet ernstig verwijtbaar heeft gedragen. De werknemer heeft recht op een wettelijke transitievergoeding van € 4.695,42 bruto. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.