Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die verschillende bestuursrechtelijke procedures zou behandelen. Verzoeker stelde dat de zaken zonder zijn toestemming waren samengevoegd en zonder hem te horen waren afgedaan, en uitte zorgen over de traagheid en communicatie van de rechter.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet ontvankelijk is omdat niet is gebleken dat een concrete rechter aan de zaak is toegewezen, noch is de naam van een rechter genoemd. De correspondentie met verzoeker was tot dan toe alleen afkomstig van de griffier.
De rechtbank zag geen aanleiding tot een mondelinge behandeling van het verzoek en wees het wrakingsverzoek af op grond van artikel 8, lid 2, aanhef en onder e, van het Wrakingsprotocol rechtbank Rotterdam. De beslissing werd op 12 april 2023 door de meervoudige kamer voor wrakingszaken uitgesproken.