De rechtbank Rotterdam behandelde op 3 mei 2023 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het bezit van 39,6 gram cocaïne en handel in cocaïne in de periode van februari 2022 tot januari 2023. De officier van justitie eiste deels vrijspraak en deels veroordeling tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk.
De verdediging voerde aan dat de dagvaarding nietig was wegens onduidelijke tenlastelegging, maar de rechtbank oordeelde dat de dagvaarding weliswaar weinig overzichtelijk was, maar aan de wettelijke eisen voldeed. Vervolgens werd het bewijs beoordeeld. De rechtbank vond het bezit van cocaïne niet wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte daarvan vrij zonder nadere motivering.
Ook voor de handel in cocaïne achtte de rechtbank het bewijs onvoldoende. Hoewel observaties en verklaringen van getuigen en medeverdachte aanwijzingen gaven, ontbrak het aan overtuigend bewijs dat verdachte zelf handelde in drugs. De verdachte ontkende steeds en verklaarde dat betalingen op zijn rekening verband hielden met legale klussen. De rechtbank sprak verdachte daarom ook vrij van de handel in cocaïne.
De dagvaarding werd als geldig verklaard, maar de tenlastelegging werd niet bewezen geacht. De verdachte werd vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.