ECLI:NL:RBROT:2023:4146
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen uitstel beslissing voorwaardelijke invrijheidstelling ongegrond verklaard
De veroordeelde is bij vonnis van 18 november 2021 veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf. Op grond van artikel 6:2:10 Sv Pro kan hij op 7 mei 2023 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie heeft op 20 maart 2023 de beslissing hierover met 90 dagen uitgesteld, waarna de veroordeelde bezwaar maakte.
Tijdens de behandeling van het bezwaar voerde de veroordeelde aan dat onvoldoende aandacht was besteed aan zijn resocialisatie en dat hij tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling eventueel bij zijn zwager in Rotterdam zou kunnen verblijven. Het Openbaar Ministerie stelde dat de reclassering aanvankelijk negatief was over zijn gedrag tot juni 2022, maar daarna positief, mits hij begeleid wonen zou krijgen. Een verblijf bij zijn zwager bood onvoldoende zekerheid voor bescherming van de maatschappij.
De rechtbank oordeelt dat het voorstel van de veroordeelde onvoldoende is onderbouwd, omdat geen concrete gegevens over de zwager zijn gegeven en hij niet de benodigde hulp zou ontvangen. Omdat er nog geen passende woonruimte beschikbaar is en de reclassering drie maanden nodig heeft om die te vinden, is het uitstel van de beslissing redelijk. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank verwacht dat het Openbaar Ministerie binnen de termijn van 90 dagen alsnog een beslissing zal nemen zodra passende woonruimte beschikbaar is.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de beslissing over voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.