Verzoeker, woonachtig in een huurwoning, heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van zijn woning op te schorten. Hij staat sinds november 2022 onder beschermingsbewind, waardoor zijn inkomen van €1.299,14 maandelijks binnenkomt bij de bewindvoerder, die de huurbetalingen waarborgt. Hoewel de huur in het verleden te laat werd betaald, zijn de betalingen voor januari tot en met mei 2023 inmiddels voldaan, en wordt een huurtoeslag met terugwerkende kracht verwacht.
Verweerder, de verhuurder, startte het ontruimingstraject vanwege eerdere betalingsachterstanden en gebrek aan contact met de bewindvoerder. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie, nu ontruiming dreigt op 20 april 2023. De belangenafweging weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder dan het belang van verweerder om het vonnis uit te voeren.
De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurbetalingen uiterlijk de tiende dag van elke maand worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid tot hernieuwde indiening. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.