In deze civiele procedure tussen buren over het recht van overpad en een koopovereenkomst vordert eiser02 en eiser03 dat de rechtbank hen toestaat de echtgenote van verweerder01 als derde partij in het geding te betrekken. Dit omdat zij in reconventie de ontbinding van de koopovereenkomst willen vorderen, die mede door de echtgenote is gesloten.
De rechtbank overweegt dat de koopovereenkomst en het geschil over het recht van overpad een processueel ondeelbare rechtsverhouding vormen. Op grond van een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:411) heeft iedere partij het recht om alle betrokkenen bij zo’n rechtsverhouding in het geding te betrekken, ongeacht wie de procedure is gestart.
De rechtbank stelt vast dat de vordering in reconventie niet per se samen hoeft te hangen met de vordering in conventie, maar in dit geval is er voldoende samenhang. De procedure wordt gesynchroniseerd zodat de eis in reconventie gelijktijdig met de conclusie van antwoord kan worden genomen.
De rechtbank wijst de incidentele vordering toe, veroordeelt verweerder01 in de proceskosten van €598 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. De zaak wordt aangehouden tot 5 juli 2023 voor verdere proceshandelingen.