Eiser werd een boete van € 3.000,- opgelegd wegens het overschrijden van de maximaal toegestane bezettingsdichtheid van 42 kg/m² in stal 2 van zijn pluimveestal. De overtreding vond plaats bij het wegladen op 31 augustus 2020, waarbij de bezettingsdichtheid 45,54 kg/m² bedroeg. Eiser voerde aan dat de overschrijding het gevolg was van overmacht, omdat de slachtdatum door een storing bij de slachterij werd verschoven, en dat de boete gematigd had moeten worden gezien de omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat eiser de overschrijding niet betwistte en dat hij onvoldoende marge had aangehouden om een dergelijke overschrijding te voorkomen. De storing bij de slachterij werd niet als een onvoorziene of abnormale omstandigheid aangemerkt, zodat geen sprake was van overmacht. De boeteverhoging wegens recidive was volgens de rechtbank terecht en niet onevenredig, gezien het belang van dierenwelzijn.
Wel stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn voor de afhandeling van de boeteprocedure was overschreden met drie maanden. Op grond daarvan werd de boete met 5% verminderd tot € 2.850,-. Daarnaast werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en een deel van de proceskosten wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betrof, en herroept het primaire besluit eveneens voor dat onderdeel. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit en bepaalde het boetebedrag op € 2.850,-.