De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van de invoer en het vervoer van circa 4150 kilogram cocaïne, gevonden in containers met ananassap in de Rotterdamse haven. Het onderzoek startte na een melding van mogelijke invoer vanuit Costa Rica, waarbij in drie containers grote hoeveelheden cocaïne werden aangetroffen en in beslag genomen.
De officier van justitie eiste vrijspraak voor de hoofdzakelijke tenlastelegging van verlengde invoer, maar wel bewezenverklaring van medeplegen van het vervoeren en aanwezig hebben van een kleine hoeveelheid cocaïne en voorbereidingshandelingen, met een gevangenisstraf van zeven jaar. De rechtbank analyseerde onder meer camerabeelden, Track & Trace-gegevens van een vrachtwagen, telefoongegevens en gesprekken opgenomen bij het bedrijf waar de containers werden gelost.
Hoewel de verdachte in contact stond met een medeverdachte en betrokkenheid werd vermoed, kon niet worden vastgesteld dat hij daadwerkelijk handelingen verrichtte met betrekking tot het vervoer van de bins met cocaïne. Ook was niet bewezen dat hij in de vrachtwagen zat die de bins ophaalde. De verklaringen en technische gegevens boden onvoldoende bewijs om de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend vast te stellen.
Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van de hoofdzakelijke feiten van medeplegen van invoer en vervoer van cocaïne. De vordering tot gevangenneming werd afgewezen. Hiermee bevestigt de rechtbank het belang van een gedegen bewijsvoering bij zware drugszaken en het waarborgen van het rechtsbeginsel van onschuld.