Verweerder legde eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting op omdat diens voertuig op 12 januari 2021 geparkeerd stond zonder betaling op een locatie in Rotterdam. Eiser betwistte dit en stelde dat hij slechts onmiddellijk in- en uitstapte, wat een uitzondering vormt op het parkeerverbod. De rechtbank oordeelde dat de uitzondering strikt wordt uitgelegd en dat eiser de bewijslast draagt om aan te tonen dat er daadwerkelijk onmiddellijk in- en uitstappen plaatsvond.
De rechtbank concludeerde op basis van foto’s gemaakt door een scanauto en een HAS-rapport dat er geen aanwijzingen waren voor onmiddellijk in- en uitstappen. De verklaring van eiser en zijn getuigen werden niet voldoende onderbouwd of waren niet controleerbaar. Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
Eiser verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep. De rechtbank stelde vast dat de termijn met vier maanden was overschreden en kende een vergoeding van € 500,- toe. Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van € 837,-. Het beroep werd verder ongegrond verklaard.