ECLI:NL:RBROT:2023:459

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 januari 2023
Publicatiedatum
24 januari 2023
Zaaknummer
C/10/640881 / HA ZA 22-535
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C. Sikkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:129e BWArt. 705 RvArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incident tot opheffing conservatoir beslag op machine in ontwikkeling

In deze civiele procedure vordert Global Engineering Holland Technology B.V. de opheffing van conservatoir beslag dat Future Holding B.V. heeft gelegd op een in ontwikkeling zijnde machine. Future had in 2020 en 2021 in totaal € 790.000 overgemaakt aan Global en vordert betaling van dit bedrag met rente in de hoofdzaak.

Global stelt dat Future geen opeisbare vordering heeft en dat het beslag haar bedrijfsvoering schaadt, terwijl Future betwist dat Global in verzuim is en stelt dat het belang van Future zwaarder weegt. De rechtbank beoordeelt dat de vorderingen en verweren van partijen onvoldoende duidelijk zijn om het beslag in dit incident op te heffen.

De rechtbank overweegt dat een inhoudelijke beoordeling en bewijslevering noodzakelijk zijn in de hoofdzaak en dat Global onvoldoende zwaarwegend belang en schade onderbouwt om het beslag op te heffen. Daarom wijst de rechtbank het incident af, veroordeelt Global in de proceskosten en verwijst de hoofdzaak naar een mondelinge behandeling.

Uitkomst: Het incident tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en Global wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/640881 / HA ZA 22-535
Vonnis in incident van 11 januari 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FUTURE HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. M. Helmstrijd te Wormerveer,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GLOBAL ENGINEERING HOLLAND TECHNOLOGY B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaten: mrs. M.J.J. van Geel en R.F. Wouters te Almelo.
Partijen zullen hierna Future en Global genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 11 mei 2022, met producties;
  • de conclusie van antwoord tevens incidentele eis ex 223 Rv en (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van antwoord in incident, tevens wijziging van eis, met producties;
  • de beslagstukken zijdens Future.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2..De feiten, voor zover van belang in het incident

2.1.
Global ontwikkelt machines voor de tabaksindustrie. Future heeft een onderneming in rokersbenodigdheden. Future heeft in 2020 en 2021 in totaal € 790.000,00 overgemaakt naar Global.
2.2.
Op 13 april 2022 heeft Future, krachtens verleend verlof, conservatoir beslag laten leggen op – kort gezegd – (onderdelen van) een in ontwikkeling zijnde machine van Global, bestemd voor de fabricatie van papierhulzen voor joints, met toebehoren.

3..De vordering in de hoofdzaak

In conventie:

3.1.
Future vordert in de hoofdzaak na wijziging van eis om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair: Global te veroordelen om aan Future tegen finale kwijting te voldoen een bedrag van € 830.342,52, te vermeerderen (bij wijze van “contractuele rente”) met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over de betaalde som per de respectieve betaaldata tot 26 mei 2022, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro per 26 mei 2022 tot de dag van volledige betaling;
  • subsidiair: Global te veroordelen om aan Future tegen kwijting te betalen een bedrag van € 830.342,52, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro per de respectieve betaaldata, tot de dag van volledige betaling;
  • zowel primair als subsidiair: met veroordeling van Global in de kosten van deze procedure, waaronder een bedrag aan salaris advocaat en de nakosten.
3.2.
Global voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Future, met veroordeling van Future in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten.
In (voorwaardelijke) reconventie
3.3.
Global vordert in voorwaardelijke reconventie, voor het geval het door Future gelegde beslag niet bij incident wordt opgeheven, dat Future bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om het op 14 april 2022 door Future gelegde beslag op te heffen en opgeheven te houden alsmede over te gaan tot afgifte van de zaken waaronder door Future beslag is gelegd, binnen veertien dagen na de dag van betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag dat Future nalaat tot opheffing van het beslag en afgifte van de roerende zaken waaronder beslag is gelegd over te gaan.
Daarnaast vordert Global in reconventie dat Future bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot een schadevergoeding, nader op te maken bij staat, wegens onrechtmatige beslagleging door Future jegens Global, alsmede dat Future wordt veroordeeld tot nakoming van de tussen partijen overeengekomen geheimhoudings-overeenkomst, onder verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 10.000,00, alsmede dat Future wordt veroordeeld tot betaling van de in artikel 8 van Pro de geheimhoudings-overeenkomst opgenomen boete ten bedrage van € 10.000,00. Ten slotte vordert Global dat Future bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.

4..Het geschil in het incident

4.1.
Global vordert, samengevat weergegeven, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- primair: Future te veroordelen om het op 14 april 2022 door Future gelegde beslag op te heffen alsmede over te gaan tot afgifte van de zaken waaronder door Future beslag is gelegd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 10.000,00 per dag dat Future nalaat tot opheffing van het beslag en afgifte van de roerende zaken waaronder beslag is gelegd over te gaan;
- subsidiair: voor zover de rechtbank oordeelt tot handhaving van het door Future gelegde beslag, Future te veroordelen tot het verstrekken van zekerheid voor de schade van Global als gevolg van het beslag voor een bedrag van
€ 2.500.000,00;
met veroordeling van Future in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente daarover en de nakosten.
4.2.
Future voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Global, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten.

5..De beoordeling in het incident

5.1.
Voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de incidentele vordering van Global dient te worden aangesloten bij de voor opheffing van een beslag in artikel 705 Rv Pro neergelegde maatstaven. Op grond van artikel 705 lid 2 Rv Pro kan de opheffing van het beslag onder meer worden uitgesproken indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Daarbij geldt dat het op de weg ligt van degene die opheffing van een conservatoir beslag vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gestelde vordering ondeugdelijk is. De rechter dient te beslissen aan de hand van de (voorlopige) beoordeling van hetgeen door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Deze beoordeling kan niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen van partijen. Daarbij geldt ook dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat in het geval een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken. Het in het kader van een zodanige afweging gegeven oordeel van de rechter over de vraag of de vordering waarvoor beslag is gelegd, deugdelijk of ondeugdelijk is, is niet meer dan een voorlopig oordeel en voor de motivering ervan gelden dan ook minder strenge eisen dan moeten worden gesteld aan de motivering van de beslissing in de bodemprocedure.
5.2.
Global grondt haar vordering – kort gezegd – op de volgende stellingen. Future heeft geen opeisbare vordering omdat geen sprake is van verzuim. Future heeft Global pas op 14 april 2022, na het leggen van beslag, in gebreke gesteld en voor zover sprake zou zijn van een geldleningsovereenkomst geldt de zes weken terugbetalingstermijn ex artikel 7:129e BW. Future heeft nagelaten de voorzieningenrechter correct en volledig te informeren. Global wordt getroffen in haar bedrijfsvoering en lijdt forse schade door het beslag.
5.3.
Future voert aan dat Global wel in verzuim is. Future betwist dat de machine kwalificeert als handelsvoorraad. Het enige verhaalsobject is de machine in ontwikkeling. Future betwist informatie achtergehouden te hebben voor de voorzieningenrechter. Future betwist de gestelde schade en voert aan dat het belang van Future zwaarder dient te wegen. Het had op de weg van Global gelegen om zekerheid te bieden maar dat heeft zij niet gedaan.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank staat nu, gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen, niet zonder meer vast dat de vorderingen van Future in de hoofdzaak kunnen worden toegewezen. Evenmin kan nu al worden vastgesteld dat de verweren van Global voldoende kans van slagen hebben. Het standpunt van Future kan echter niet op voorhand als kennelijk onhoudbaar worden gekwalificeerd. Partijen betwisten in het incident en in de hoofdzaak elkaars stellingen over de cruciale vraag: bestaat er een terugbetalingsverplichting voor Global ten aanzien van de door Future aan Global verstrekte gelden? Daarbij nemen zij standpunten in die een nadere toelichting behoeven. Voor een goede beoordeling daarvan lijkt een mondelinge behandeling en eventueel bewijslevering noodzakelijk. Naar de tussen partijen in het geschil zijnde feiten en/of omstandigheden zal in de hoofdzaak dus nader onderzoek moeten plaatsvinden. De onderhavige procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening leent zich in beginsel niet voor een dergelijk onderzoek.
5.5.
Bij het voorgaande weegt mee dat Global niet een zodanig zwaarwegend belang bij de opheffing van het beslag aannemelijk heeft gemaakt dat de rechtbank binnen de kaders van dit incident toch is gehouden een verdergaande inhoudelijke beoordeling van de standpunten van partijen te geven. Op dat punt schiet de onderbouwing van Global tekort. Global heeft gesteld dat zij van de beslaglegging hinder ondervindt omdat haar personeel nagenoeg geen werkzaamheden meer kan verrichten waardoor de ontwikkeling van een machine vertraging oploopt en zij in financiële moeilijkheden verkeert. Global heeft dit echter niet nader (cijfermatig) onderbouwd.
5.6.
De conclusie is dat de gevorderde opheffing van het conservatoire beslag niet kan worden toegewezen. De subsidiair gevorderde veroordeling tot het verstrekken van zekerheid voor de schade van Global als gevolg van het beslag zal eveneens niet worden toegewezen. Global heeft immers (de hoogte van) haar schade niet onderbouwd, waardoor een grondslag voor een dergelijke vordering ontbreekt.
5.7.
Global zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

6..Voortgang in de hoofdzaak

6.1.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.

7..De beslissing

De rechtbank
in het incident
7.1.
wijst het gevorderde af;
7.2.
veroordeelt Global in de kosten van het incident, aan de zijde van Future tot op heden begroot op € 563,00;
7.3.
veroordeelt Global in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Global niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;
7.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
7.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
25 januari 2023voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2023.
3533/1573