ECLI:NL:RBROT:2023:4656

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 mei 2023
Publicatiedatum
6 juni 2023
Zaaknummer
FT EA 23/156
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling wegens niet te goeder trouw ontstane schuld

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet om Stedin B.V. te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze regeling betreft een betaling van 3,12% van de totale schuld van €37.757,70, gebaseerd op de huidige PW-uitkering van verzoeker. Tien schuldeisers stemden in met het voorstel, maar Stedin, met een vordering van €2.511,47, weigerde mee te werken vanwege de niet te goeder trouw ontstane schuld.

Stedin stelde dat de schuld voortkomt uit ontoelaatbaar handelen van verzoeker, namelijk het exploiteren van een hennepkwekerij in de woning, en heeft aangifte gedaan. Een fraude-expert heeft de schade vastgesteld en Stedin heeft een betalingsregeling getroffen met verzoeker. De rechtbank overweegt dat de vordering van Stedin een aandeel van 6,7% vormt in de totale schuld en dat het belang van Stedin bij volledige betaling zwaarwegend is.

Daarnaast acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het aangeboden akkoord het uiterste is wat verzoeker kan bieden, omdat tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) een hogere afloscapaciteit kan ontstaan door mogelijke arbeidsinschakeling. Gezien deze omstandigheden weegt het belang van Stedin zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen omdat de schuld niet te goeder trouw is ontstaan en de afloscapaciteit mogelijk zal toenemen tijdens de WSNP.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer01]
uitspraakdatum: 31 mei 2023
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker01],
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 13 februari 2023, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- Stedin B.V., hierna te noemen: Stedin,
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Stedin heeft voorafgaand aan de zitting geen verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 17 mei 2023 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [naam01] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening);
  • de heer [naam02] , werkzaam bij Stedin;
  • mevrouw [naam03] , werkzaam bij Stedin.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift elf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 37.757,70 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 12 oktober 2022 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,12% tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn PW-uitkering. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Tien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Stedin stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 2.511,47 op verzoeker.

3.Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft Stedin te kennen gegeven niet akkoord te kunnen gaan met het voorstel. De vordering is ontstaan door ontoelaatbaar handelen van verzoeker. Er is sprake geweest van een hennepkwekerij in de woning, waarvan Stedin aangifte heeft gedaan. Een fraude expert heeft de geleden schade van Stedin vastgesteld. Hierna heeft Stedin verzoeker aansprakelijk gesteld. Op dit moment loopt er een betalingsregeling. Doordat de schulden niet ter goede trouw zijn ontstaan, kan Stedin niet instemmen met het aangeboden akkoord.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Stedin bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Stedin in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van Stedin een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 6,7%. Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Stedin in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige PW-uitkering. De mogelijkheid bestaat dat er tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling een hogere afloscapaciteit zal ontstaan, doordat verzoeker gaat werken. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoeker blijvend is.
Tot slot is de rechtbank van mening dat de vordering van Stedin een schuld betreft die niet te goede trouw is ontstaan.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Stedin als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om Stedin te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2023. [1]