Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam01] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening);
- de heer [naam02] , werkzaam bij Stedin;
- mevrouw [naam03] , werkzaam bij Stedin.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet om Stedin B.V. te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze regeling betreft een betaling van 3,12% van de totale schuld van €37.757,70, gebaseerd op de huidige PW-uitkering van verzoeker. Tien schuldeisers stemden in met het voorstel, maar Stedin, met een vordering van €2.511,47, weigerde mee te werken vanwege de niet te goeder trouw ontstane schuld.
Stedin stelde dat de schuld voortkomt uit ontoelaatbaar handelen van verzoeker, namelijk het exploiteren van een hennepkwekerij in de woning, en heeft aangifte gedaan. Een fraude-expert heeft de schade vastgesteld en Stedin heeft een betalingsregeling getroffen met verzoeker. De rechtbank overweegt dat de vordering van Stedin een aandeel van 6,7% vormt in de totale schuld en dat het belang van Stedin bij volledige betaling zwaarwegend is.
Daarnaast acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het aangeboden akkoord het uiterste is wat verzoeker kan bieden, omdat tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) een hogere afloscapaciteit kan ontstaan door mogelijke arbeidsinschakeling. Gezien deze omstandigheden weegt het belang van Stedin zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen omdat de schuld niet te goeder trouw is ontstaan en de afloscapaciteit mogelijk zal toenemen tijdens de WSNP.