Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 2 augustus 2022. Verzoekster is sinds 2 maart 2023 onder beschermingsbewind gesteld en ontvangt een Ziektewet-uitkering. De huur wordt via beschermingsbewind betaald en de betalingen over maart, april en mei 2023 zijn voldaan.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 6 april 2023. De wetgever beoogt met het moratorium een schuldenaar een adempauze te geven om een regeling met schuldeisers te treffen. De belangenafweging tussen verzoekster en verweerster leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening, omdat aannemelijk is dat de lopende termijnen betaald zullen worden.
De voorziening wordt toegekend voor zes maanden, waarbij de huurovereenkomst wordt verlengd en de ontruiming wordt opgeschort. De voorziening geldt alleen zolang de huurbetalingen tijdig plaatsvinden. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.