ECLI:NL:RBROT:2023:4668

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 mei 2023
Publicatiedatum
6 juni 2023
Zaaknummer
ROT 22/1012
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding toegekend na intrekking beroep parkeerbelasting naheffingsaanslag

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de gemeente Rotterdam een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 67,86. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze aanslag en het bezwaar werd door de gemeente gegrond verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in tegen het bestreden besluit. De gemeente heeft later alsnog een proceskostenvergoeding van € 566,50 toegekend aan verzoeker, waarna verzoeker het beroep introk en de rechtbank verzocht de gemeente te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan. Gezien het feit dat de gemeente aan het beroep tegemoet is gekomen en de proceskostenvergoeding correct is vastgesteld, heeft de rechtbank het verzoek van verzoeker als gegrond beoordeeld. De rechtbank veroordeelt de gemeente tot betaling van € 566,50 aan proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de gemeente ook het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- dient te vergoeden, maar dat verzoeker hiervoor rechtstreeks contact met de gemeente moet opnemen. De uitspraak is gedaan door rechter E.J. Rutten op 25 mei 2023.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gemeente Rotterdam tot betaling van € 566,50 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/1012

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2023 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. M.A.K. Rahman),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

(gemachtigde: mr. D. El Manouzi).

Procesverloop

In het besluit van 14 januari 2022 (primair besluit) heeft verweerder een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 67,86, bestaande uit € 2,56 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 65,30 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer] ).
In het besluit van 9 februari 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met de brief van 28 maart 2023 heeft verweerder alsnog een proceskostenvergoeding aan verzoeker toegekend.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Hierop is geen reactie gekomen.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker. In de brief van 28 maart 2023 van verweerder aan verzoeker is een proceskostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van € 566,50 toegewezen (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met wegingsfactor 0,5).
Verzoeker heeft de rechtbank gevraagd verweerder te veroordelen in de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor zover verweerder de proceskostenvergoeding naar aanleiding van de brief van 28 maart 2023 nog niet aan verzoeker heeft uitbetaald, wijst de rechtbank het verzoek als kennelijk gegrond toe.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
De rechtbank overweegt dat verweerder de proceskostenvergoeding aan verzoeker correct heeft vastgesteld en volgt verweerder hierin. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 566,50 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met wegingsfactor 0,5).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb eveneens het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- dient te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 566,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.D.F. Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.